Archiefdocument
Origineel
17 april 1942. [Stempel linksboven:] No 53/42/3 M. 1942 [Handgeschreven:] 30/4
[Handgeschreven rechtsboven:] Marktw.
[Handgeschreven links:] VS
[Paraaf links:] [Onleesbaar]
No.55/6 L.M.1942
[Rechts:] Restitutie entréegeld Centrale Markt.
E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten
van den Burgemeester van Amsterdam,
Vrydag, 17 April 1942.
[Handgeschreven rechts boven tekstblok in blauwe inkt:] ni / dir / Th. Müller / Th. Broese
Op voorstel van den Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen wordt het volgende besluit genomen:
De Burgemeester van Amsterdam,
Gezien het rapport van den Directeur van den Dienst van het Marktwezen dd. 8 April 1942, No.53/42/1 M;
Gelet op het bepaalde in art.36 van de Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden;
B e s l u i t :
aan J. Presser, Marnixstraat 204 op gronden van billykheid restitutie van entréegeld voor de Centrale Markt te verleenen tot een bedrag van f. 10.--.
Afschrift van dit besluit zal worden gegeven aan de afdeelingen Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen (2 stuks) en Financien (2 stuks).
VE
Voor eensluidend extract,
de Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN [stempel] Dit document is een officieel besluit (extract) van de Burgemeester van Amsterdam uit april 1942. Het betreft een administratieve handeling: de terugbetaling (restitutie) van 10 gulden aan een zekere heer J. Presser, wonende aan de Marnixstraat 204. De reden voor de terugbetaling wordt omschreven als "op gronden van billykheid" (billijkheid), wat suggereert dat er een gegronde reden was waarom Presser het reeds betaalde toegangsgeld voor de Centrale Markt niet had kunnen benutten of niet had hoeven betalen.
De tekst toont de bureaucratische structuur van het Amsterdamse stadsbestuur tijdens de bezetting, waarbij specifieke wethouders (in dit geval die van Levensmiddelen) en diensten (Marktwezen) formeel advies uitbrachten aan de burgemeester. De burgemeester van Amsterdam in deze periode was Edward Voûte. De historische context van dit document is zeer specifiek. De datum, 17 april 1942, valt midden in de Duitse bezetting van Nederland. De naam en het adres in het document zijn hoogstwaarschijnlijk die van de bekende historicus, schrijver en dichter Jacques (Jacob) Presser (1899-1970). Presser woonde destijds inderdaad aan de Marnixstraat 204 in Amsterdam.
In 1942 was de vervolging van de Joodse bevolking in Amsterdam in volle gang. Joden werden stelselmatig uitgesloten van het openbare leven en beroepen. Presser, die leraar was aan het Vossius Gymnasium, was in 1941 al ontslagen vanwege zijn Joodse afkomst. De Centrale Markt was een cruciale plek voor de voedselvoorziening, maar de toegang werd voor Joden steeds lastiger of verboden.
Het is wrang om te zien dat, terwijl de bezetter en het collaborerende bestuur de Joodse bevolking de meest fundamentele rechten ontnamen, de gemeentelijke bureaucratie nog tot in detail "billijkheidsrestituties" van tien gulden afhandelde voor personen die zij op datzelfde moment aan het marginaliseren waren. Niet lang na dit besluit, in de zomer van 1942, begonnen de grootschalige deportaties vanuit Amsterdam. Presser zelf overleefde de oorlog door onder te duiken; zijn vrouw werd in Sobibor vermoord. Later schreef hij het monumentale werk Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945. Dit document vormt een klein, alledaags puzzelstukje in de administratieve werkelijkheid van die donkere periode.