Zakelijke brief (doorslag/kopie).
Origineel
Zakelijke brief (doorslag/kopie). 22 februari 1943. De Directeur (vermoedelijk van een Amsterdamse gemeentelijke instantie, zoals de Dienst van het Marktwezen of de Voedselvoorziening). De Directeur der Nederlandsche Visscherijcentrale, 2e Adelheidstraat 300, 's-Gravenhage. [Handgeschreven in rood potlood:] Verzonden 22/2 [onleesbaar]
D/SV
den Heer Directeur der Nederlandsche
Visscherijcentrale,
2e Adelheidstraat 300
's-G r a v e n h a g e (ZH)
46a/37/2 M.
22 Februari 1943.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 29 Januari 1943
No. 2258/AZ/We bericht ik U, dat de toewijzingen van
J. van Schaik zeker te gering zijn om een winkel te
openen. Er bestaat dezerzijds geen enkele aanleiding om
deze toewijzingen te verhoogen om daardoor Van Schaik
in staat te stellen een winkel te beginnen.
Er bestaat te Amsterdam onder de huidige omstandig-
heden geen enkele behoefte aan uitbreiding van het aantal
vischzaken en pogingen van straathandelaren om hun zaak
om te schakelen kunnen slechts worden opgevat als een
streven om aan de, op de markten uiteraard strengere,
contrôle te ontkomen.
Ik geef U dan ook in overweging op het verzoek
afwijzend te beschikken.
De Directeur, Deze brief is een formeel advies van een Amsterdamse directeur aan de Nederlandsche Visscherijcentrale (NVC). De kern van de brief is de afwijzing van een verzoek van een zekere J. van Schaik om zijn vis-toewijzingen te verhogen, zodat hij een fysieke winkel kan openen in plaats van zijn huidige handel.
De argumentatie van de directeur is tweeledig:
1. Economisch/Distributief: Er is volgens de schrijver in Amsterdam geen behoefte aan meer viswinkels onder de toenmalige omstandigheden.
2. Handhaving/Controle: De directeur uit een expliciet wantrouwen jegens straathandelaren die willen "omschakelen" naar een winkel. Hij stelt dat dit enkel een poging is om te ontsnappen aan de strenge controles op de markten.
De toon is bureaucratisch, beslist en enigszins neerbuigend ten opzichte van de straathandel. Het document dateert uit februari 1943, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de schaarste groot en stond de distributie van voedsel, waaronder vis, onder strikt toezicht van de overheid en speciaal daarvoor in het leven geroepen organen zoals de Nederlandsche Visscherijcentrale (opgericht in 1941).
De "huidige omstandigheden" waarnaar verwezen wordt, duiden op de oorlogssituatie, rantsoenering en de stringente Duitse regelgeving. De vrees voor ontwijking van "contrôle" is typerend voor deze tijd; op markten was toezicht op prijzen en kwaliteit makkelijker centraal te regelen dan bij individuele winkels. Bovendien probeerde de bezetter en de meewerkende bureaucratie de economie zo strak mogelijk te stroomlijnen, waarbij voor nieuwe ondernemingen of uitbreidingen in crisistijd zelden ruimte was. J. van Schaik Marktwezen
Samenvatting
Deze brief is een formeel advies van een Amsterdamse directeur aan de Nederlandsche Visscherijcentrale (NVC). De kern van de brief is de afwijzing van een verzoek van een zekere J. van Schaik om zijn vis-toewijzingen te verhogen, zodat hij een fysieke winkel kan openen in plaats van zijn huidige handel.
De argumentatie van de directeur is tweeledig:
1. Economisch/Distributief: Er is volgens de schrijver in Amsterdam geen behoefte aan meer viswinkels onder de toenmalige omstandigheden.
2. Handhaving/Controle: De directeur uit een expliciet wantrouwen jegens straathandelaren die willen "omschakelen" naar een winkel. Hij stelt dat dit enkel een poging is om te ontsnappen aan de strenge controles op de markten.
De toon is bureaucratisch, beslist en enigszins neerbuigend ten opzichte van de straathandel.
Historische Context
Het document dateert uit februari 1943, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de schaarste groot en stond de distributie van voedsel, waaronder vis, onder strikt toezicht van de overheid en speciaal daarvoor in het leven geroepen organen zoals de Nederlandsche Visscherijcentrale (opgericht in 1941).
De "huidige omstandigheden" waarnaar verwezen wordt, duiden op de oorlogssituatie, rantsoenering en de stringente Duitse regelgeving. De vrees voor ontwijking van "contrôle" is typerend voor deze tijd; op markten was toezicht op prijzen en kwaliteit makkelijker centraal te regelen dan bij individuele winkels. Bovendien probeerde de bezetter en de meewerkende bureaucratie de economie zo strak mogelijk te stroomlijnen, waarbij voor nieuwe ondernemingen of uitbreidingen in crisistijd zelden ruimte was.