Getypte brief met handgeschreven kanttekeningen en handtekening.
Origineel
Getypte brief met handgeschreven kanttekeningen en handtekening. 4 januari 1944. B. Apell, Oostenburgervoorstraat 75, Amsterdam. [Rechtsboven, handgeschreven:] 573
[Rechtsboven, getypt:] Amsterdam, 4 Januari 1944.
[Linksboven, stempel en handgeschreven:] № 20/2/1 M.1944
[Handgeschreven in blauw potlood, rechts van het nummer:] nv. [onleesbaar]
zeer Geachte Heer,
Tot mijn groote teleurstelling was UEd. zoo bereidwillig mij een Legitimatie-Vergunning te weigeren om 2 of 3 maal per week op de markt 2e hands schoenen te mogen verkoopen, beter gezegd een staanplaats. Zoover mij bekend is wordt dat nooit geweigerd aan Invaliden en ouden van dagen. Ik vind het zeer jammer dat UEd. in 't geheel niet weet wat ik voor persoon ben. Oorspronkelijk ben ik Huis- Letter- en Kunstschilder, ingeschreven bij de Ned. Kultuurkamer. Het is overbekend dat de meeste beeldende Kunstenaars een nevenbetrekking of bijberoep hebben. Zij kunnen niet buitenom. De Ned. Kultuurkamer weet dat zeer goed. Het zou er prachtig uit zien als de Regeering voor alle Kunstenaars zich garant zou stellen. Het is en blijft een weeldeberoep. Ondanks alle Goddelijke Gave en toch heusch niet voor iedereen.
Misschien mag ik UEd. er bij zeggen, dat ik in de Buitengewest 20 jaar heb gediend als marechaussee, met blanco strafregister en een klein pensioen van voor 1920 - en leege handen werd ik met mijn 4 kinderen als weduwnaar - Afgepresenteerd ...... voor de reis naar Nederland, van uit Suriname vrijwel zonder middelen om de groote stap te aanvaarden. Ik moest geld leenen van de familie om mij eenigszins te kunnen oriënteeren als fatsoenlijk mensch.
Toch heb ik zonder steun en zonder Armbestuur kans gezien mijn vier kinderen groot te brengen zonder de beruchte Eva, allen zijn ze netjes en zonder trammelant aan de Maatschappij afgeleverd. Dat kon geen enkele Hollandse Jan mij nadoen. Daarvoor zijn ze veel te slaperig en onhandelbaar. Behalve mijn 20 dienstjaren in de Tropen heb ik nog 20 jaar in Holland voor mijn kinderen gewerkt, geheel op eigen kracht. Geen hulp van wild-vreemden, wie volgt. Werken voor zijn brood was ook verboden, bij het oude Regime ook nu nog.
Alleen wensch ik dan gaarne UEd. in kennis te stellen, dat ik bij andere Autoriteiten verder zal informeeren, of bedoelde weigering wel van toepassing is voor iedereen. Wij kunnen toch niet als willooze lammeren alles voor zoete koek aannemen. Ik speel open kaart om UEd. mijn misnoegen te kennen te geven. Bij de Duitsche Weermacht mogen wij ook een woordje meespreken.
[Handgeschreven kanttekeningen links onderin:]
Ontv [onleesbaar]
Bergo
12-1-44
[Paraaf]
17-1-44
[Handgeschreven in rood/blauw:] gezien
Hoogachtend,
[Handtekening: B. Apell]
Pensioen f 420.- 's jaars.
Oostenburgervoorstr. 75'''
Amsterdam. In deze brief uit de bezettingsperiode uit de schrijver, B. Apell, zijn diepe frustratie over het weigeren van een marktvergunning voor de verkoop van tweedehands schoenen. De toon is een mengeling van trots, verongelijktheid en een subtiele dreiging.
- Argumentatie: Apell voert verschillende gronden aan waarom hij de vergunning verdient: zijn status als invalide/bejaarde, zijn registratie bij de Nederlandsche Kultuurkamer als kunstenaar (waarbij hij stelt dat kunstenaars bijbanen nodig hebben om te overleven), en zijn eervolle staat van dienst als marechaussee in Suriname.
- Maatschappijkritiek: Hij zet zich af tegen de "slaperige" Hollanders en het "oude Regime" (de vooroorlogse overheid), en benadrukt dat hij zijn kinderen zonder staatssteun ("Armbestuur") heeft opgevoed.
- Strategie: Zeer opvallend is de laatste alinea, waarin hij dreigt de zaak bij "andere Autoriteiten" aan te kaarten en expliciet de "Duitsche Weermacht" noemt. Dit was een tactiek die vaker werd gebruikt tijdens de bezetting: de dreiging om de hulp van de bezetter in te roepen tegen lokale bureaucratie. De brief is geschreven in januari 1944, een periode van grote schaarste en economische ontwrichting in Nederland.
- De Kultuurkamer: Door te vermelden dat hij is aangesloten bij de Ned. Kultuurkamer (opgericht door de bezetter in 1941), legitimeert hij zichzelf binnen het toenmalige systeem. Zonder dit lidmaatschap mochten kunstenaars hun beroep niet uitoefenen.
- Economische nood: De handel in tweedehands goederen, zoals schoenen, was een essentiële overlevingsstrategie tijdens de oorlog toen nieuwe goederen op de bon waren of simpelweg niet meer verkrijgbaar.
- Koloniale achtergrond: De schrijver diende in de "Buitengewesten" (Suriname). De overstap van de koloniale dienst naar de armoede in Nederland na de Eerste Wereldoorlog (pensioen 1920) vormt de achtergrond van zijn bittere houding.
- Bureaucratie onder bezetting: De brief laat zien hoe burgers moesten navigeren tussen de Nederlandse gemeentelijke regels en de dreiging van de Duitse bezettingsmacht om hun recht te halen. B. Apell Marechaussee