Archief 745
Inventaris 745-1406
Pagina 187
Dossier 29
Stadsarchief

Notulen of verslag van een vergadering (waarschijnlijk van de directie van de Centrale Markt met vertegenwoordigers van de handel).

Niet expliciet vermeld op deze pagina, maar afgaande op de context (de "winter aankomt" en de anti-Joodse maatregelen) betreft het vermoedelijk het najaar van 1941.

Origineel

Notulen of verslag van een vergadering (waarschijnlijk van de directie van de Centrale Markt met vertegenwoordigers van de handel). Niet expliciet vermeld op deze pagina, maar afgaande op de context (de "winter aankomt" en de anti-Joodse maatregelen) betreft het vermoedelijk het najaar van 1941. -3-

dat de handel vroeger steeds heeft gezegd, dat de Centrale Markt veel te groot is opgezet; de handel heeft echter zyn standpunt moeten herzien en algemeen is men nu van oordeel, dat de markt reeds te klein begint te worden. Elke meter grond wordt thans vrywel gebruikt. Doch men zou nu de markt nog willen uitbreiden met een nieuwe markt, hetgeen practisch gebeurt by het onderhavige plan; het is duidelyk, dat dit slechts kan geschieden door inkrimping van de beschikbare ruimte voor de niet-Joodsche grossiers.
Elk plan is beter dan het plan E. Plan I heeft eveneens bezwaren. Ze zyn door den directeur reeds naar voren gebracht; bovendien ligt het terrein niet erg gunstig aan de Jan van Galenstraat en is het wat klein.
De eenige mogelykheid acht spreker plan 3. Dit terrein zal bestraat moeten worden en daar van een overkapping moeten worden voorzien. Het terrein voor de Joodsche markt moet gezocht worden buiten het thans in gebruik zynde marktterrein.
De Directeur zegt, dat hiermede tyd is gemoeid, terwyl gegevens omtrent wat er nodig zal zyn, vooralsnog ontbreken, vandaar het plan om terrein E tydelyk voor Joodsche markt te bestemmen.
De heer Dykstra antwoordt, dat de grossiers en de verdere handel pier E geen dag kunnen missen. Het is sprekers stellige overtuiging, dat de Joodsche grossiers zich niet achter een afrastering zullen vestigen; zy zullen van de markt verdwynen en in de omgeving van het Waterlooplein hun zaken gaan doen.
De heer Broerse oppert de mogelykheid, om terrein E, zonder pakhuis, tydelyk voor de Joden te bestemmen. Dit zou, nu de winter aankomt en er toch niet zoo'n behoefte aan dit terrein is, een goede oplossing beteekenen. Men kan dan gedurende den winter zien, hoe de zaak zich ontwikkelt en intusschen, indien nog noodig, het politiesportterrein voor Joodsche markt geschikt maken.
De Directeur zegt, dat slechts het plan E aan de orde is, waarby het pakhuis begrepen is.
De heer Du Maine acht het gewenscht, eerst met de Joden te overleggen; dan kan blyken, welke firma's op de Centrale Markt gevestigd zullen blyven en aan de hand daarvan kan dan een geschikt terrein worden gezocht. Ook spreker is van meening, dat de Joodsche handel zich buiten de markt zal gaan ontwikkelen, voor zoover ze dan nog artikelen zullen ontvangen. De fruithandel, waar de Joden een belangryke plaats innamen, is momenteel al zeer slap, door gebrek aan fruit.
De Directeur meent, dat het voor de Joden moeilyk zal zyn in dit stadium van de zaak hun houding te bepalen. Hy zal intusschen aanteekening houden van de opmerking van den heer Du Maine.
De heer Dinkgreve zegt, dat er momenteel 464 tuinders zyn, waarby geen enkele Jood is. Het staat wel vast, dat ook de Joden van groente moeten worden voorzien, zoodat er stellig een toewyzing in het leven moet worden geroepen, daar de Joden niet meer op de veilingen zullen mogen koopen. Op een of andere manier moet er dus ergens een contact tusschen Joden en niet-Joden komen.
Spreker stelt voor uitsluitend de kade aan de 2e Keucheniusstraat voor de Joden te bestemmen; hier zal, gelet op het vertrek van vele Joden van de markt, stellig voldoende ruimte voor hen beschikbaar zyn. Zoo noodig kan het sportterrein voor uitbreiding van deze markt worden gereserveerd.
Alle vertegenwoordigers van den handel zyn zeer beslist van meening, dat op de Centrale Markt nimmer een Joodsche markt tot ontwikkeling zal komen, omdat de Joodsche grossiers stellig niet op de markt zullen blyven.
De vertegenwoordigers van den handel verzoeken spoedig met de beslissing van het Gemeentebestuur in kennis te worden gesteld, teneinde zoo noodig een standpunt te bepalen en de terzake noodige maatregelen te nemen.
/kunnen
De Directeur dankt de heeren voor hun advies en deelt mede, dat hy de naar voren gebrachte opmerkingen ter kennis van het Gemeentebestuur zal brengen. Dit document legt een zakelijke en bureaucratische discussie vast over de uitvoering van de segregatie van Joodse handelaren op de Centrale Markt in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting.

  • Kernconflict: De directie wil een deel van de markt (Plan E) aanwijzen als "Joodsche markt", terwijl de vertegenwoordigers van de niet-Joodse handel (grossiers) protesteren omdat zij die ruimte zelf nodig hebben.
  • Uitsluiting: Het document illustreert hoe Joodse handelaren letterlijk buiten het systeem worden geplaatst. Er wordt gesproken over "afrastering" en het zoeken van terreinen "buiten het thans in gebruik zynde marktterrein."
  • Economische impact: De heer Dinkgreve merkt op dat Joden niet meer op veilingen mogen kopen, wat een groot logistiek probleem creëert voor de voedselvoorziening van de Joodse bevolking.
  • Houding van de aanwezigen: De toon is pragmatisch en gericht op efficiëntie voor de "niet-Joodsche grossiers". Er is weinig empathie voor de positie van de Joodse handelaren; de bezorgdheid van Du Maine om "eerst met de Joden te overleggen" lijkt eerder voort te komen uit logistieke planning dan uit morele bezwaren. Na de bezetting van Nederland in mei 1940 voerden de nazi's stapsgewijs antisemitische maatregelen in. In september 1941 werd het Joden verboden om op openbare markten te staan. In Amsterdam leidde dit tot de instelling van specifieke "Joodsche markten" (zoals op het Waterlooplein en de Gaaspstraat).

De Centrale Markt aan de Jan van Galenstraat was de spil van de voedseldistributie in Amsterdam. De discussie in dit document toont aan hoe de Amsterdamse bureaucratie en de handelswereld meewerkten aan de uitvoering van de segregatie. De vrees dat Joodse grossiers zich niet "achter een afrastering" zouden vestigen, bleek terecht; velen werden uit hun beroep gedrukt, wat een voorbode was van de totale beroving van Joods bezit (arisering) en de latere deportaties.

Samenvatting

Dit document legt een zakelijke en bureaucratische discussie vast over de uitvoering van de segregatie van Joodse handelaren op de Centrale Markt in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting.

  • Kernconflict: De directie wil een deel van de markt (Plan E) aanwijzen als "Joodsche markt", terwijl de vertegenwoordigers van de niet-Joodse handel (grossiers) protesteren omdat zij die ruimte zelf nodig hebben.
  • Uitsluiting: Het document illustreert hoe Joodse handelaren letterlijk buiten het systeem worden geplaatst. Er wordt gesproken over "afrastering" en het zoeken van terreinen "buiten het thans in gebruik zynde marktterrein."
  • Economische impact: De heer Dinkgreve merkt op dat Joden niet meer op veilingen mogen kopen, wat een groot logistiek probleem creëert voor de voedselvoorziening van de Joodse bevolking.
  • Houding van de aanwezigen: De toon is pragmatisch en gericht op efficiëntie voor de "niet-Joodsche grossiers". Er is weinig empathie voor de positie van de Joodse handelaren; de bezorgdheid van Du Maine om "eerst met de Joden te overleggen" lijkt eerder voort te komen uit logistieke planning dan uit morele bezwaren.

Historische Context

Na de bezetting van Nederland in mei 1940 voerden de nazi's stapsgewijs antisemitische maatregelen in. In september 1941 werd het Joden verboden om op openbare markten te staan. In Amsterdam leidde dit tot de instelling van specifieke "Joodsche markten" (zoals op het Waterlooplein en de Gaaspstraat).

De Centrale Markt aan de Jan van Galenstraat was de spil van de voedseldistributie in Amsterdam. De discussie in dit document toont aan hoe de Amsterdamse bureaucratie en de handelswereld meewerkten aan de uitvoering van de segregatie. De vrees dat Joodse grossiers zich niet "achter een afrastering" zouden vestigen, bleek terecht; velen werden uit hun beroep gedrukt, wat een voorbode was van de totale beroving van Joods bezit (arisering) en de latere deportaties.

Locaties

Amsterdam Centrale Markt (Jan van Galenstraat).

Kooplieden in dit dossier 100

E. Aalvel Uilenburg Inleggerij
M.S. Adviseerde Uilenburg 9
A. Baas Waterlooplein
A. Baas Waterlooplein
A.C. Boekelman Uilenburg ger. visch X
A.F. Challa Uilenburg groenten
H. Acohen Uilenburg T
J. Acohen Waterlooplein T
J. Acohen Waterlooplein T x
M. Acohen Waterlooplein T
D. Adami Waterlooplein
A. de Moel Uilenburg papierwaren
A. Dorregeest Uilenburg bloemen X
A. Duits Waterlooplein - ijs
A. Geboorte Waterlooplein snijbloemen
Adolf Frankenstein Waterlooplein 2e h.artikelen v
A. Goslau Waterlooplein
A. Heideman Uilenburg knoopen, gespen X *enz.*
A. Hirsch Waterlooplein rookart.
A. Hofboer Waterlooplein aardewerk v
A. Hollander Waterlooplein dames mode
A. Hoogstraal Zwanenburgwal zoolbeslag *sporadisch*
A. Isaac Waterlooplein
A.J.Sloot Waterlooplein sloten en sleutels
A. Engelen Waterlooplein 2e h.artikelen v
A. Kramer Uilenburg idem *of en toe*
A. Kruger Uilenburg groenten
A. Laarman-Soederhuyzen Waterlooplein gedr.kleeding v
A. Cuypstraat Uilenburg 68
A. Cuypstraat Waterlooplein 166 66 145 68
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6