Getypt verslag (resumé) van een ambtelijke bespreking.
Origineel
Getypt verslag (resumé) van een ambtelijke bespreking. R e s u m é van een bespreking van den directeur van het Marktwezen, den heer C.F. Sixma, den gemeentelyken adviseur, den heer F. van Meurs, den bedryfschef, den heer Jac. Broerse, den wnd. secretaris, den heer H.A. van Duinhoven met vertegenwoordigers der Joodsche groothandelaren, gevestigd op de Centrale Markt, namelyk de heeren: J. Wynschenk, M. Wynschenk, B. Polak, M. Mok, Italiaander, J. Presser, Hagenaar en Hakker op Dinsdag 10 November 1941 ten kantore van den dienst van het Marktwezen.
O n d e r w e r p : Ariseering Centrale Markt.
De Directeur zet de situatie uiteen. Ingevolge het bepaalde in de Verordening van 15 September jl. inzake het deelnemen van Joden aan de markten heeft de Gemeente thans een plan tot ariseering der Centrale Markt voorbereid, waarby dus als uitgangspunt is aangenomen, dat er een absolute scheiding op de Centrale Markt moet komen tusschen den niet-Joodsche, en de Joodsche, groot- en kleinhandel. Hiertoe zou tot Joodsche markt worden bestemd een terrein aan de Keucheniusstraat met een stuk kade, een en ander zooals op een situatieschets in rood is aangegeven.
De Joodsche handel wyst erop, dat de verhouding van het aantal Joodsche groothandelaren (50) tegenover het aantal Joodsche kleinhandelaren (200) zeer ongunstig is, zoodat de perspectieven voor den groothandel wel zeer slecht zyn. Ongetwyfeld zullen een aantal Joodsche grossiers moeten afvallen. Bovendien is het zeer de vraag, of de Joodsche groothandel na 1 December a.s. nog handel zal kunnen koopen op de veilingen. Op dien datum loopt namelyk de toestemming af van de Overheid, dat Joden nog aan de veilingen mogen deelnemen en er is thans omtrent de eventueele toewyzing van producten aan deze grossiers nog niets bekend.
Men is van meening, dat alle Joodsche groothandelaren op de Centrale Markt (op het speciale Joodsche gedeelte) gevestigd willen blyven, doch /dat [in marge] ~~wanneer~~ daar voor allen geen bestaansmogelykheid is. Iedere Joodsche grossier individueel zal dit echter moeten bezien, of hy aan de Joodsche markt zal deelnemen of niet.
De Joodsche vertegenwoordigers wyzen er voorts op, dat op het ontworpen terrein geenerlei beschutting of pakhuisruimte aanwezig is, terwyl een dergelyke beschutting niet in korten tyd is aan te brengen, zoodat de handel in de open lucht zal moeten plaatsvinden. Men dringt er daarom op aan, tydelyk pier E met het pakhuis ter beschikking te stellen, in afwachting van de inrichting van het terrein (het zgn. sportterrein) aan de Keucheniusstraat.
De Directeur schetst de hieraan verbonden bezwaren en wyst erop, dat deze mogelykheid niet aan de orde is.
De handel verzoekt, teneinde toch eenige beschutting te hebben, de aan de veiling in gebruik gegeven loods op pier E, welke momenteel vrywel niet wordt benut, tydelyk in gebruik te mogen nemen. Men kan dan de ontwikkeling gedurende den winter gadeslaan en daarnaar eventueele maatregelen voor het sportterrein beter beoordeelen.
De Directeur wyst erop, dat deze loods door de Duitsche Weermacht voor de veiling is afgestaan als compensatie voor ruimte, welke de Weermacht in de emballageloods der veiling heeft in beslag genomen, en dat in het voorjaar ten behoeve van den export Dit document is een kil, ambtelijk verslag van de uitvoering van de anti-Joodse maatregelen in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het illustreert de bureaucratische precisie waarmee de economische uitsluiting van Joden werd georganiseerd.
De kernpunten uit de tekst zijn:
1. Segregatie: Er wordt gesproken over een "absolute scheiding" tussen Joodse en niet-Joodse handel.
2. Economische wurging: De Joodse handelaren wijzen terecht op de onmogelijkheid van hun voortbestaan. Met slechts 200 Joodse detailhandelaren als afzetmarkt voor 50 groothandelaren, en het dreigende verbod om zelf op veilingen in te kopen, wordt hun broodwinning de facto vernietigd.
3. Ontmenselijking door logistiek: De gemeente stelt een "sportterrein" (Keucheniusstraat) voor zonder enige faciliteiten of beschutting tegen het weer, terwijl bestaande loodsen (Pier E) worden geweigerd omdat deze voor de Duitse Weermacht bestemd zijn.
4. Terminologie: Het gebruik van de term "Ariseering" (arisering) duidt direct op de nationaalsocialistische ideologie van het onteigenen van Joods bezit. In september 1941 vaardigde de Duitse bezetter verordeningen uit die de deelname van Joden aan het economisch leven drastisch inperkten. In Amsterdam, het hart van de Nederlandse handel, had dit grote gevolgen voor de Centrale Markthallen in West (de huidige Food Center Amsterdam-locatie).
De hier genoemde directeur, C.F. Sixma, was verantwoordelijk voor de uitvoering van deze maatregelen op de markt. Uit historisch onderzoek is bekend dat Sixma zich hierbij als een meegaand uitvoerder van de Duitse maatregelen opstelde. De Joodse handelaren die in het document worden genoemd, zoals de families Wynschenk, Polak en Mok, behoorden tot bekende Amsterdamse marktkooplieden-families.
De genoemde locatie aan de Keucheniusstraat (nabij de huidige begraafplaats Vredenhof) werd inderdaad een afgezonderde plek waar Joodse handelaren naartoe werden gedreven. Dit was een tussenstation in het proces van totale onteigening en uiteindelijke deportatie. De bespreking toont aan dat de Joodse vertegenwoordigers de hopeloosheid van hun situatie inzagen, maar probeerden binnen de verstikkende kaders nog enige menswaardige condities (zoals beschutting tegen de winterkou) te bedingen, wat door de directeur werd afgehouden met een beroep op de belangen van de Weermacht. B. Polak C.F. Sixma F. van Meurs H.A. van Duinhoven J. Presser J. Wynschenk M. Mok M. Wynschenk Marktwezen