Getypte ambtelijke brief/verklaring.
Origineel
Getypte ambtelijke brief/verklaring. 10 november 1942. De Bedrijfschef der Centrale Markt (Amsterdam). No 37/6/145 M 1942 30/10
Er is tegenover den heer Sieburgh en ondergeteekende niet gesproken over een extra toewijzing van benzine in verband met vervoer van bagage voor Joodsche personen.
Was dit het geval geweest dan had ik de vermelde expediteurs zonder meer naar de Joodsche Raad voor Amsterdam verwezen.
Ons werd medegedeeld, dat de suppletietoewijzing voor benzine over de maand October 1942 door genoemde expediteurs-groentevervoerders niet was ontvangen, waarop ik gezegd heb zoo spoedig mogelijk een opgave te verstrekken van de benzine-suppletie aan de groente-expediteurs over de maanden Aug. en Sept. 1942.
Ik zou dan als Sub-agent van de A.B.D. trachten in dezen iets te bereiken.
Thans is niet komen vast te staan of meergenoemde expediteurs niet alsnog suppletie over de maand Oct. 1942 is verstrekt.
Amsterdam, 10 November 1942.
De Bedrijfschef der Centr. Markt,
[handtekening: Hemburgh (?)]
[Handgeschreven aantekening in de marge:] V.B. 23/11 42 In dit document verklaart de bedrijfschef van de Centrale Markt in Amsterdam dat er geen sprake is geweest van een speciale toewijzing van schaarse brandstof (benzine) voor het vervoer van bezittingen van Joodse Amsterdammers. De kern van de kwestie lijkt een misverstand of een verweer te zijn tegen de suggestie dat brandstof voor dit doel via de reguliere kanalen van de voedselvoorziening was verkregen.
De schrijver benadrukt dat indien dergelijk transport aan de orde was, hij de vervoerders direct naar de Joodsche Raad zou hebben doorverwezen, die verantwoordelijk was voor zaken die de Joodse gemeenschap betroffen (onder toezicht van de bezetter). Het document richt zich verder op de bureaucratische afhandeling van extra benzinetoewijzingen ("suppletie") voor reguliere groentetransporteurs over de maanden augustus, september en oktober 1942. De auteur trad hierbij op als subagent voor de A.B.D. (waarschijnlijk de Algemeene Benzine Distributie). Dit document stamt uit november 1942, een kritieke fase tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode waren de deportaties van Joden vanuit Amsterdam naar doorgangskamp Westerbork in volle gang. Het "vervoer van bagage" waarover gesproken wordt, houdt direct verband met deze deportaties; mensen mochten een beperkte hoeveelheid bagage meenemen naar de verzamelpunten.
Brandstof was gedurende de oorlog uiterst schaars en strikt gerantsoeneerd. De Centrale Markt was een cruciaal logistiek knooppunt voor de voedselvoorziening van de stad. De bewering in dit document is historisch saillant omdat het laat zien hoe de bureaucratie rondom schaarse middelen verweven raakte met de logistiek van de Holocaust. Het document illustreert de formele, bijna zakelijke afstand die ambtenaren bewaarden tot de vervolging, terwijl ze tegelijkertijd de grenzen van hun verantwoordelijkheid (voedselvoorziening versus de 'zaken' van de Joodsche Raad) scherp bewaakten.