Zakelijke brief/notitie met financiële verantwoording.
Origineel
Zakelijke brief/notitie met financiële verantwoording. Betreft de periode 15 oktober tot en met 28 november 1942. In de periode loopende van 15 October tot en
met 28 November 1942 bedroeg de aflevering van
goederen van de Joodsche bevolking f 73.807,60.
Heffing 4% = f 2.952,30
Onder aftrek van 2% voor kosten
bemiddelingen verminderd met
omzetbelasting in totaal f 1.505,67
heeft de veiling aan mijn dienst
afgedragen f 1.446,63
De Gemeente ontvangt 1% van
van f 73.807,60 = f 738,08.
Aan de 4 leden van de Commissie van toezicht f 708,55.
komt ten goede het restant groot
van welk bedrag gij dan een som hadt te bepalen
bedrag aan den employé Pirolle zou moeten afstaan.
Ik verzoek U beleefd mij te machtigen
om aan de Commissie van Toezicht en de employé
van de voornoemde veiling uit te betalen:
f 346,15 plus f 708,55. totaal f 1.054,70.
Te verdeelen als volgt:
M.v.G. f 57,69 + 177,14 / 234,83
Bengel 57,69 + 177,14 / 234,83
Pirolle 57,69 / 57,69
De Nijs 86,54 + 177,14 / 263,68
Maasens 86,54 + 177,15 / 263,69
f 346,15 / 708,57 / 1.054,72
De Directeur, Het document beschrijft de afhandeling van een aanzienlijk bedrag (f 73.807,60, wat in 1942 een enorm kapitaal was) verkregen uit de 'aflevering' van Joodse goederen.
* De Berekening: Er wordt een heffing van 4% toegepast. Na aftrek van kosten en omzetbelasting blijft een bedrag van f 1.446,63 over voor de specifieke dienst.
* De Verdeling: De buit wordt verdeeld over verschillende instanties en personen: de gemeente (1%), de 'Commissie van Toezicht' en een specifieke werknemer genaamd Pirolle.
* Personen: De namen M.v.G., Bengel, Pirolle, De Nijs en Maasens worden genoemd als ontvangers van specifieke bedragen. Pirolle krijgt enkel een basisbedrag (f 57,69), terwijl de anderen ook een deel van de 'commissie' ontvangen.
* Toon: De toon is strikt zakelijk en administratief, wat in schril contrast staat met de tragische realiteit van de bron van deze gelden. Dit document stamt uit de kernperiode van de Holocaust in Nederland (najaar 1942). Na de registratie en isolatie van Joden volgde de systematische onteigening van hun bezittingen. Dit werd uitgevoerd door instanties zoals de Lippmann, Rosenthal & Co. bank (LiRo) en lokale veilinghuizen.
De "goederen van de Joodsche bevolking" in deze brief zijn bezittingen die door de nazi's waren geconfisqueerd tijdens deportaties of uit verzegelde woningen waren gehaald (de zogenaamde 'H-Aktion'). Deze goederen werden geveild, en de opbrengst vloeide deels terug naar de Duitse oorlogskas en deels naar collaborateurs en faciliterende instanties zoals de hier genoemde gemeente en commissieleden. Het document illustreert hoe de 'economische' kant van de vervolging tot in de kleinste details werd geadministreerd, waarbij zelfs de lokale overheid en individuele beambten financieel profiteerden van de beroving van hun medeburgers. De namen M.v.G. Bengel Pirolle De Nijs en Maasens worden genoemd als ontvangers van specifieke bedragen. Pirolle krijgt enkel een basisbedrag (f 57 69) terwijl de anderen ook een deel van de 'commissie' ontvangen.