Ambtsbrief / Correspondance van de gemeente Amsterdam.
Origineel
Ambtsbrief / Correspondance van de gemeente Amsterdam. 5 maart 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Centrale Markt of de betreffende gemeentelijke dienst). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam. VD/HG.
53/22/2 M.
[handgeschreven:] Verzonden 6/3
5 Maart 1942.
Restitutie entréegeld
Centrale Markt ten name
van J. Peper.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat J. Peper, Tilanusstraat 30 I, wien als kooper toegang tot de Centrale Markt is verleend, zich op 10 Januari jl. heeft moeten melden bij het Gewestelijk Arbeidsbureau, waarna hij is uitgezonden naar een Joodsch werkkamp in Drente. Peper had het op de Centrale Markt verschuldigde entréegeld tot een bedrag van ƒ 10.- voor het kalenderjaar 1942 betaald. Zijn vrouw verzoekt thans haar een gedeelte van het betaalde te restitueeren, welk verzoek mij billijk voorkomt. Indien het entréegeld volgens het tarief per kalenderweek was voldaan, zou tot 10 Januari jl. verschuldigd zijn geweest 2 x ƒ 0,25 = ƒ 0,50.
Ik geef U beleefd in overweging wel te willen bevorderen, dat aan Mevr. Peper voornoemd, op grond van het bepaalde in artikel 36 van de Verordening op de Heffing van markt-, standplaats- en ventgelden, op gronden van billijkheid door den Burgemeester teruggave van betaald entréegeld wordt toegestaan tot een bedrag van ƒ 10.- - ƒ 0,50 = ƒ 9,50.
De Directeur,
--- Dit document is een ambtelijk verzoek voor een terugbetaling van marktgelden. De kern van de zaak is dat de heer J. Peper, een handelaar/koper op de Centrale Markt in Amsterdam, zijn jaarlijkse toegangsgeld van 10 gulden voor 1942 al had voldaan, maar zijn werkzaamheden al begin januari moest staken.
De reden hiervoor is aangrijpend: hij is opgeroepen door het Gewestelijk Arbeidsbureau en afgevoerd naar een "Joodsch werkkamp in Drente". Zijn vrouw verzoekt nu om teruggave van het vooruitbetaalde geld voor de rest van het jaar. De directeur van de dienst ondersteunt dit verzoek op basis van "billijkheid" en verwijst naar de relevante gemeentelijke verordening om een restitutie van ƒ 9,50 te rechtvaardigen (het jaarbedrag minus de kosten voor de twee weken dat hij nog werkzaam was).
--- Het document dateert van maart 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. Het werpt een licht op de bureaucratische afhandeling van de gevolgen van de Holocaust. Terwijl Joodse burgers uit hun dagelijks leven werden gerukt en naar werkkampen (zoals kampen in Drenthe die fungeerden als voorportaal voor Westerbork) werden gestuurd, liepen de civiele administratieve processen in de stad gewoon door.
De genoemde heer J. Peper woonde aan de Tilanusstraat 30-I, een straat in de Oosterparkbuurt die destijds een aanzienlijke Joodse populatie kende. Het document illustreert de schrijnende situatie waarin gezinnen achterbleven: de kostwinner was weggevoerd, en de achterblijvende echtgenote moest proberen kleine bedragen zoals marktgeld terug te krijgen om te kunnen overleven. De term "billijkheid" in de brief suggereert een mate van menselijkheid of ambtelijke souplesse van de kant van de directeur, binnen het kille kader van de toenemende anti-Joodse maatregelen. J. Peper Gemeente Amsterdam