Extract uit het Boek der Besluiten van de Burgemeester van Amsterdam.
Origineel
Extract uit het Boek der Besluiten van de Burgemeester van Amsterdam. 8 oktober 1943. [Linksboven in paars stempel/typmachine:]
No. 20/20/8 e M. 1943 19/10
[Rechtsboven handgeschreven:]
Marktw
334
No. 768 L.M. 1943. Straf marktkooplieden.
[Rechtsboven handgeschreven in blauw potlood:]
mw div
dest 25/11/43 [onleesbaar paraaf]
E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten
van den Burgemeester van Amsterdam;
Vrijdag, 8 October 1943.
Op voorstel van den Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen wordt het volgende besluit genomen:
De Burgemeester van Amsterdam;
Gezien het rapport van den Directeur van den Dienst van het Marktwezen, dd. 28 September 1943, No. 20/20/8b M;
Gelet op het Reglement van de Markten;
Gelet op de bepalingen van de Achtste Verordening van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied betreffende bijzondere maatregelen op administratiefrechtelijk gebied (Verordeningenblad 1941, Stuk 33, No. 152; Gemeenteblad afd. 4, volgno. 517);
B e s l u i t :
den marktkooplieden P.J. Helder en J.E. Helder-Stevens wegens het verkoopen op de markt (Nieuwmarkt) van gebak zonder inneming van de voorgeschreven bons, voor onbepaalden tijd het recht tot het innemen van een plaats op een der markten te ontnemen.
Afschrift van dit besluit zal worden gegeven aan de afdeeling Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen (3 stuks).
PW.
[Getekend met een paraaf]
Voor eensluidend extract,
de Gemeentesecretaris,
[Gestempeld in paars:]
(get.) J. F. FRANKEN Dit document is een officieel besluit van de burgemeester van Amsterdam, gedateerd 8 oktober 1943, midden in de Tweede Wereldoorlog. Het betreft een zware administratieve straf voor twee marktkooplieden, het echtpaar Helder. Zij worden ervan beschuldigd gebak te hebben verkocht op de Nieuwmarkt zonder de vereiste distributiebonnen in te nemen.
De straf is drastisch: hen wordt voor onbepaalde tijd het recht ontzegd om een standplaats op welke Amsterdamse markt dan ook in te nemen. Dit betekende in feite een beroepsverbod en het verlies van hun bron van inkomsten. Het besluit is gebaseerd op een rapport van de Dienst van het Marktwezen en verwijst expliciet naar de 'Achtste Verordening' van de Rijkscommissaris (Seyss-Inquart), wat de juridische inbedding in het bezettingsrecht benadrukt. Tijdens de Duitse bezetting van Nederland was er een nijpend tekort aan voedsel en goederen, waardoor een strikt distributiesysteem met bonnen noodzakelijk was. De bezetter en het collaborerende stadsbestuur (onder burgemeester Edward Voûte) traden zeer hard op tegen "economische overtredingen" zoals de zwarte handel of het verkopen van waren zonder bonnen.
Dergelijke overtredingen werden gezien als een ondermijning van de gecontroleerde oorlogseconomie. De Nieuwmarkt, waar het incident plaatsvond, was van oudsher een belangrijk handelscentrum in Amsterdam, maar bevond zich op dat moment ook midden in de Jodenbuurt, die in 1943 vrijwel geheel ontruimd was. Het document illustreert hoe de bureaucratische apparaten van de gemeente werden ingezet om de strenge bezettingswetgeving tot op het niveau van de individuele marktkraam te handhaven.