Archiefdocument
Origineel
31 januari 1943 De Waarnemend (Ww.) Politiepresident, Hoofdbureau van Politie te Amsterdam. spoed (dubbel onderstreept)
A’dam, 31/1 1943
Aan den Heer
Ww. Politiepresident
kamer 14 of 16
Hoofdbureau (onderstreept)
In aansluiting op het
telefonisch gesprek met Uwen
Officier in Dienst heb ik de eer
voor de nevenstaande ambte-
naren een bewijs van vrijen
doortocht tijdens luchtalarm
aan te vragen.
Deze ambtenaren hebben
geen functie bij den Luchtbe-
schermingsdienst, doch het is,
in het belang van den Dienst,
noodzakelijk, dat zij zich,
ook tijdens luchtalarm,
naar een bepaalde markt in
de stad kunnen begeven.
Het betreft: Het document is een officiële aanvraag voor ontheffingen (bewijzen van vrije doortocht) voor een groep niet nader genoemde ambtenaren. De kern van het verzoek is dat deze personen zich tijdens een luchtalarm op straat moeten kunnen begeven om een "bepaalde markt" te bereiken. Hoewel zij geen deel uitmaken van de Luchtbeschermingsdienst (LBD), wordt het belang van hun werkzaamheden voor de openbare dienst zwaarder gewogen dan de veiligheidsvoorschriften tijdens een alarm. Het handschrift is verzorgd en de toon is strikt formeel, passend bij de ambtelijke correspondentie van die tijd. Het woord "nevenstaande" suggereert dat de namen van de ambtenaren oorspronkelijk in de kantlijn of op een bijgevoegd blad stonden. De brief is geschreven in januari 1943, midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting. In deze periode vonden er regelmatig geallieerde luchtovervallen plaats op Amsterdam (met name gericht op de haven en de industrie in Noord), waardoor het luchtalarm frequent afging. De bewegingsvrijheid was dan voor burgers en niet-essentieel personeel verboden. De politie in Amsterdam stond in deze jaren onder direct toezicht van de bezetter en de Politiepresident was een machtig figuur in het lokale bestuur. Dat ambtenaren voor een markt ontheffing nodig hadden, wijst waarschijnlijk op het cruciale belang van de gecontroleerde voedseldistributie en markttoezicht in een tijd van toenemende schaarste. Hoofdbureau Politie
Samenvatting
Het document is een officiële aanvraag voor ontheffingen (bewijzen van vrije doortocht) voor een groep niet nader genoemde ambtenaren. De kern van het verzoek is dat deze personen zich tijdens een luchtalarm op straat moeten kunnen begeven om een "bepaalde markt" te bereiken. Hoewel zij geen deel uitmaken van de Luchtbeschermingsdienst (LBD), wordt het belang van hun werkzaamheden voor de openbare dienst zwaarder gewogen dan de veiligheidsvoorschriften tijdens een alarm. Het handschrift is verzorgd en de toon is strikt formeel, passend bij de ambtelijke correspondentie van die tijd. Het woord "nevenstaande" suggereert dat de namen van de ambtenaren oorspronkelijk in de kantlijn of op een bijgevoegd blad stonden.
Historische Context
De brief is geschreven in januari 1943, midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting. In deze periode vonden er regelmatig geallieerde luchtovervallen plaats op Amsterdam (met name gericht op de haven en de industrie in Noord), waardoor het luchtalarm frequent afging. De bewegingsvrijheid was dan voor burgers en niet-essentieel personeel verboden. De politie in Amsterdam stond in deze jaren onder direct toezicht van de bezetter en de Politiepresident was een machtig figuur in het lokale bestuur. Dat ambtenaren voor een markt ontheffing nodig hadden, wijst waarschijnlijk op het cruciale belang van de gecontroleerde voedseldistributie en markttoezicht in een tijd van toenemende schaarste.