Brief of circulaire van het Gemeentebestuur van Amsterdam.
Origineel
Brief of circulaire van het Gemeentebestuur van Amsterdam. Juli 1944. Indien een chauffeur een zoodanige verklaring rechtstreeks of via Uw diensttak ontvangt, is hij dus geenszins verplicht die te teekenen.
Ik verzoek U de daarvoor in aanmerking komende personen van het bovenstaande in kennis te stellen en hen te wijzen op het vrijwillig karakter der verbintenis.
De Burgemeester van Amsterdam,
[handtekening: Voûte]
de Gemeentesecretaris,
[handtekening: M.F. Fraenkel]
Arb.Z.Stadhuis
A'dam, Juli 1944
Volgno. 130.
[Ondersteboven gestempeld linksonder:]
DIENST
No. 1161/32
Gemeentebest. v. Amsterdam
[Blauwe stempel links, gedeeltelijk zichtbaar en ondersteboven:]
Aan den Heer Di
27
STADSDRUKKERIJ AMSTERDAM
van het Gemeente
[Adresstrookje rechtsonder, ondersteboven geplakt:]
recteur van het
Marktwezen,
Jan van Galenstraat 14,
AMSTERDAM (W.)
I De kern van deze korte tekst is een instructie aan diensthoofden binnen de gemeente Amsterdam. Het stelt expliciet dat chauffeurs niet verplicht zijn om een bepaalde "verklaring" te ondertekenen. De nadruk wordt gelegd op het "vrijwillig karakter" van de verbintenis. De afkorting "Arb.Z." staat waarschijnlijk voor Arbeidszaken.
Het document is ondertekend door Edward Voûte, die tijdens de Duitse bezetting door de nazi's als regeringscommissaris-burgemeester was aangesteld. De aanwezigheid van de handtekening van de gemeentesecretaris Fraenkel bevestigt de officiële status van het schrijven binnen de gemeentelijke hiërarchie. Het adresstrookje geeft aan dat dit specifieke exemplaar was gericht aan de directeur van het Marktwezen aan de Jan van Galenstraat (de Centrale Markthallen). Dit document stamt uit juli 1944, een kritieke fase in de Tweede Wereldoorlog, vlak na D-Day en tijdens een periode van verhoogde druk door de Duitse bezetter op de Nederlandse arbeidsmarkt (de Arbeitseinsatz).
Hoewel de tekst op het eerste gezicht beschermend lijkt ("geenszins verplicht"), moet dit in de context van de bezetting worden gezien. De Duitsers probeerden vaak via officiële Nederlandse kanalen personeel te werven voor hun eigen oorlogsindustrie of transport (bijvoorbeeld voor de Organisation Todt). Door expliciet te wijzen op de vrijwilligheid, probeerde het gemeentebestuur wellicht juridische dekking te zoeken of onrust onder het personeel te voorkomen, terwijl ze tegelijkertijd voldeden aan de eis van de bezetter om de verklaringen te verspreiden. Voor chauffeurs was deze "vrijwilligheid" in de praktijk vaak relatief, gezien de enorme druk en de dreiging van gedwongen tewerkstelling in Duitsland als men geen lokaal essentieel werk kon aantonen.