Ambtsbrief / Correspondentie
Origineel
Ambtsbrief / Correspondentie 15 juli 1942 Waarschijnlijk een afdeling van de gemeente Amsterdam of een distributie-instantie (kenmerk Sb/HB, referentie 37/6/40 M.) [Handgeschreven rechtsboven:] U. Sieburgh (?)
[Handgeschreven middenboven:] Verzonden 15/7.
37/6/40 M.
Sb / HB
15 Juli 1942.
den Heer Inspecteur voor de Prijsbeheersching,
Emmastraat 35,
Amsterdam-Zuid.
Wijk 13 A.
Naar aanleiding van ons onderhoud d.d. 13 dezer inzake voorziening der Amsterdamsche Joodsche bevolking van groente en aardappelen, heb ik de eer U het volgende te berichten.
Nadat voor de Joodsche grossiers door de Duitsche autoriteiten Treuhander waren aangesteld, werd ons op zeer korten termijn opgedragen de Centrale Markt volledig te ariseeren namelijk de Joodsche kleinhandelaren niet meer tot de Centrale Markt toe te laten en tegelijkertijd een plan over te leggen de Joodsche kleinhandel en daardoor de Joodsche bevolking van groente en aardappelen te voorzien.
Na overleg met de Duitsche autoriteiten ( de Heer Gombault) werd toen de navolgende, thans reeds eenige weken in werking zijnde, regeling getroffen.
Een niet-Joodsche Commissie vordert van de grossiers een wekelijks door de Duitsche autoriteiten goedgekeurd percentage van de ter Centrale Markt aangevoerde groente en draagt die aan een Joodsche Commissie op tegen den maximumgrossiersprijs met bijberekening van 6 % op de waarde der groente.
Al dadelijk maakten wij den Heer Gombault erop attent, dat dit laatste voor prijsvorming en prijsbeheersching van belang was te weten, waarop de Heer Gombault ons toezegde hierover met U van gedachte te zullen wisselen.
Uit de te ontvangen 6 % [handgeschreven doorgehaald woord, vervangen door:] van de Commissie moeten bestrijden de administratiekosten (thans uitbesteed aan de Nederlandsche Veiling te Amsterdam), salarissen voor commissieleden en eventueel andere bijkomende kosten.
Voor wat betreft de heffing van 6 % merken wij het volgende op. De Amsterdamsche Joodsche bevolking bedraagt ± 10 % van de totale Amsterdamsche bevolking, terwijl het percentage van de Joodsche kleinhandelaren (winkeliers) in groente, ± 3 % bedraagt van het totaal der Amsterdamsche kleinhandelaren (winkeliers) in groente. Daarbij komen dan nog de 4 Joodsche markten voor de straathandelaren; in normale tijden bestond de straathandel uit veel meer dan 10 % Joden; door verschillende maatregelen van den laatsten tijd zal dit percentage echter belangrijk zijn gedaald en zich thans ook ver onder de 10 % bewegen. Dit document is een ambtelijk verslag van de bureaucratische uitvoering van de Jodenvervolging op economisch gebied in Amsterdam. De kernpunten zijn:
- Ariseering: De documentatie bevestigt de "ariseering" (het Jodenvrij maken) van de Centrale Markt. Joodse groothandelaars (grossiers) werden onder toezicht van een Duitse Treuhänder (bewindvoerder) gesteld, en Joodse detailhandelaren werden fysiek verbannen van de markt.
- Segregatie van de voedselketen: Er werd een apart systeem opgezet waarbij een "Niet-Joodsche Commissie" voedsel vorderde om dit vervolgens door te leveren aan een "Joodsche Commissie". Dit creëerde een gescheiden distributienetwerk.
- Financiële belasting: Over de leveranties aan de Joodse gemeenschap werd een extra heffing van 6% berekend om de administratieve kosten van deze segregatie te dekken. Dit betekent dat de Joodse bevolking effectief zelf betaalde voor de bureaucratie die hen uitsloot.
- Demografie: De brief geeft interessante statistische schattingen uit 1942: de Joodse bevolking in Amsterdam werd geschat op circa 10% van het totaal, maar hun aandeel in de straathandel was door eerdere beperkende maatregelen al drastisch gedaald. De datum van deze brief, 15 juli 1942, is van enorme historische betekenis. Dit is exact de dag waarop de grootschalige deportaties van Joden uit Nederland naar de vernietigingskampen begonnen (het eerste transport vanuit kamp Westerbork vertrok in de nacht van 14 op 15 juli).
Terwijl de deportaties begonnen, hielden ambtenaren zich, zoals dit document laat zien, nog volop bezig met de logistieke en financiële details van de voedselvoorziening voor de achterblijvers. De genoemde "Heer Gombault" was een functionaris bij de Wirtschaftsprüfstelle, de Duitse instantie die toezag op de onteigening van Joodse bezittingen en bedrijven.
Het document illustreert de "banaliteit van het kwaad": de uitsluiting van een bevolkingsgroep werd door de Nederlandse en Duitse bureaucratie afgehandeld als een technisch vraagstuk over marges, percentages en administratiekosten.