Getypte brief (doorslag of kopie).
Origineel
Getypte brief (doorslag of kopie). 28 mei 1943. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst, zoals de Marktwezen of Bevolkingsregister). Den Heer N. van Heusden, Treuhänder Omnia Treuhandgesellschaft M.B.H., Hectorstraat 37, Amsterdam-Zuid. Verzonden 28/5 [handgeschreven in paars]
SV [rechtsboven]
20/13/2 M.
28 Mei 1943.
Den Heer N. van Heusden
Treuhänder Omnia
Treuhandgesellschaft M.B.H.
Hectorstraat 37,
Amsterdam-Zuid. wijk 130
===============
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 13 Mei jl.
bericht ik U, dat de marktkoopman Jac.van Emrik, ge-
boren 16 Juni 1879, wonende Zwanenburgwal 94 III, een
plaats heeft ingenomen op de markt Waterlooplein voor
den verkoop van huishoudelijke artikelen en oud ijzer-
werk. Sinds 3 November 1941 is hij afgevoerd; de reden
hiervan is niet bekend.
De Directeur, Deze brief is een zakelijke correspondentie uit de bezettingsjaren waarin informatie wordt verstrekt over een Amsterdamse marktkoopman, Jacob (Jac.) van Emrik. De ontvanger, de Omnia Treuhandgesellschaft, was een nationaalsocialistische organisatie die belast was met het 'ariëren' (in beslag nemen en liquideren) van Joodse bedrijven en bezittingen.
De tekst is kort en zakelijk-bureaucratisch. De directeur bevestigt dat Van Emrik een standplaats had op het Waterlooplein (een van oudsher belangrijke plek voor Joodse handel). De meest beladen zin is de laatste: "Sinds 3 November 1941 is hij afgevoerd; de reden hiervan is niet bekend." Het eufemistische woord "afgevoerd" duidt op de arrestatie en wegvoering van een Joodse burger, waarbij de afzender officieel beweert de reden niet te kennen, hoewel dit in de context van 1943 overduidelijk was. Het document biedt een schrijnend inkijkje in de administratieve afwikkeling van de Holocaust. De Omnia Treuhandgesellschaft zocht waarschijnlijk naar gegevens van Van Emrik om zijn resterende bezittingen of handelsvergunning formeel af te wikkelen nadat hij was weggevoerd.
Jacob van Emrik (geboren 16 juni 1879) was inderdaad een Joodse inwoner van Amsterdam. Uit historische bronnen (zoals Joods Monument) blijkt dat hij op 13 november 1942 is vermoord in Auschwitz. De datum in de brief (3 november 1941) wijst waarschijnlijk op het moment dat hij voor het eerst uit zijn woning werd gehaald of op transport werd gesteld naar een doorgangskamp zoals Westerbork. De brief zelf dateert van mei 1943, een half jaar na zijn overlijden, wat de tragiek van de bureaucratische molen onderstreept. M.B.H. Marktwezen Omnia
Samenvatting
Deze brief is een zakelijke correspondentie uit de bezettingsjaren waarin informatie wordt verstrekt over een Amsterdamse marktkoopman, Jacob (Jac.) van Emrik. De ontvanger, de Omnia Treuhandgesellschaft, was een nationaalsocialistische organisatie die belast was met het 'ariëren' (in beslag nemen en liquideren) van Joodse bedrijven en bezittingen.
De tekst is kort en zakelijk-bureaucratisch. De directeur bevestigt dat Van Emrik een standplaats had op het Waterlooplein (een van oudsher belangrijke plek voor Joodse handel). De meest beladen zin is de laatste: "Sinds 3 November 1941 is hij afgevoerd; de reden hiervan is niet bekend." Het eufemistische woord "afgevoerd" duidt op de arrestatie en wegvoering van een Joodse burger, waarbij de afzender officieel beweert de reden niet te kennen, hoewel dit in de context van 1943 overduidelijk was.
Historische Context
Het document biedt een schrijnend inkijkje in de administratieve afwikkeling van de Holocaust. De Omnia Treuhandgesellschaft zocht waarschijnlijk naar gegevens van Van Emrik om zijn resterende bezittingen of handelsvergunning formeel af te wikkelen nadat hij was weggevoerd.
Jacob van Emrik (geboren 16 juni 1879) was inderdaad een Joodse inwoner van Amsterdam. Uit historische bronnen (zoals Joods Monument) blijkt dat hij op 13 november 1942 is vermoord in Auschwitz. De datum in de brief (3 november 1941) wijst waarschijnlijk op het moment dat hij voor het eerst uit zijn woning werd gehaald of op transport werd gesteld naar een doorgangskamp zoals Westerbork. De brief zelf dateert van mei 1943, een half jaar na zijn overlijden, wat de tragiek van de bureaucratische molen onderstreept.