Archiefdocument
Origineel
23 december 1943 De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen of een gelieerde gemeentelijke dienst). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam ("Alhier"). 20/20/19a M.
intrekking
standplaatsvergunning.
Verzonden 23/12 [onleesbare paraaf]
23 December 1943. SV.
Den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r.
In bijlage dezes heb ik de eer U
te doen toekomen afschrift van een rapport
d.d. 14 December jl. van den controleur
De Grebber van mijn dienst. Hieruit blijkt,
dat E.A. Smit, geboren 15 Februari 1907,
wien d.d. 27 Mei 1943 onder no.5/65 L.M.
1943 vergunning is verleend tot het in-
nemen van een standplaats op het Frederiks-
plein voor den verkoop van koek en gebak,
zich op zijn standplaats heeft doen ver-
vangen door zijn zuster A.F. Smit, geboren
28 April 1905, terwijl hem bij bovengenoem-
de beschikking vergunning was verleend
zich dagelijks van 12 – 14 uur uitsluitend
te doen vervangen door zijn echtgenoote.
Geconstateerd werd, dat door ge-
noemde vervangster gebak aan de consumenten
werd afgeleverd, zonder de betreffende
distributiebonnen in ontvangst te nemen.
In verband hiermede heb ik de eer
U te adviseeren wel te willen bevorderen,
dat bij Besluit van den Burgemeester de
standplaatsvergunning ten name van E.A.
Smit, wegens overtreding der distributie-
voorschriften voor vier maanden wordt inge-
trokken.
De Directeur, Dit document is een ambtelijk schrijven waarin een strafmaatregel wordt voorgesteld voor een marktkoopman. De kern van de zaak is een rapport van controleur De Grebber van 14 december 1943.
Er worden twee specifieke overtredingen geconstateerd bij de heer E.A. Smit, die een vergunning had voor een gebakkraam op het Amsterdams Frederiksplein:
1. Onrechtmatige vervanging: Smit liet zich vervangen door zijn zuster (A.F. Smit), terwijl zijn vergunning hem expliciet alleen toestond zich tussen 12:00 en 14:00 uur te laten vervangen door zijn echtgenote.
2. Overtreding distributiewet: De zuster verkocht gebak zonder daarvoor de verplichte distributiebonnen te innen.
De voorgestelde straf is een schorsing (intrekking) van de standplaatsvergunning voor de duur van vier maanden. De brief is gericht aan de Wethouder voor de Levensmiddelen, aangezien dergelijke zaken onder de regie van de voedselvoorziening en economische handhaving vielen. Het document dateert uit december 1943, een periode tijdens de Duitse bezetting van Nederland waarin de schaarste aan goederen en voedsel nijpend was. Om de beperkte voorraden te verdelen, was er een strikt distributiesysteem met bonkaarten van kracht.
De controle op de naleving van deze regels was uiterst streng. Het verkopen van schaarse goederen zoals koek en gebak (waarvoor kostbare ingrediënten zoals meel en suiker nodig waren) zonder bonnen werd gezien als een ernstige economische overtreding, omdat dit de zwarte handel in de hand werkte en de eerlijke verdeling ondermijnde.
De tekst illustreert de bureaucratische precisie waarmee de bezettingsadministratie (en het Nederlandse apparaat dat onder hun toezicht doorwerkte) de dagelijkse gang van zaken controleerde. Zelfs details zoals wie er op welk uur in een marktkraam mocht staan, waren vastgelegd in vergunningen en werden door controleurs gehandhaafd.