Officieel besluit (typschrift met handgeschreven kanttekeningen).
Origineel
Officieel besluit (typschrift met handgeschreven kanttekeningen). [Handgeschreven, rechtsboven:] 3 x kopie [onleesbare paraaf/naam]
No.126. Maatregelen ter verbetering van de salarispositie van een gedeelte van het gemeentepersoneel.
De Burgemeester van Amsterdam;
Gelet op de bepalingen van de Achtste Verordening van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied betreffende bijzondere maatregelen op administratief-rechtelijk gebied (Verordeningenblad 1941, Stuk 33, No.152; Gemeenteblad, afd.4, volgn. 517);
B e s l u i t :
te bepalen:
I dat, met handhaving van de tijdelijke toelage van 6 ten honderd, bedoeld in het besluit van den Gemeenteraad van 5 Februari 1941, No.19, aan de ambtenaren en werklieden in vasten en in tijdelijken dienst een vaste toelage zal worden verleend van tien ten honderd van hun vaste bruto-jaarwedde of vaste bruto-weekloon, voor zoover hun vaste bruto-jaarwedde, vermeerderd met deze toelage, een bedrag van f.2640 per jaar, respectievelijk f.50.77 per week, voor gehuwden en eenige kostwinners en van f.1980 per jaar, respectievelijk f.38.08 per week, voor ongehuwden - niet eenige kostwinners - niet overschrijdt;
II dat voor de toepassing van het onder I bepaalde onder bruto-jaarwedde of bruto-weekloon wordt verstaan de jaarwedde of het loon, eventueel verminderd met ongehuwdenaftrek (zonder aftrek van het pensioenpremieverhaal), en vermeerderd met vaste toelagen, die het karakter hebben van salaris of loon of gegeven worden voor arbeid of bemoeiingen binnen den normalen werktijd, uitgezonderd de toelagen voor nacht- en Zondagsarbeid;
III dat voor de beoordeeling, wie als gehuwde of eenig kostwinner wordt aangemerkt, zullen gelden de maatstaven, welke worden aangelegd bij de toekenning van de tijdelijke toelage van 6 %;
IV dat de bezoldiging van ambtenaren en werklieden van 21-jarigen of ouderen leeftijd ten minste f.1200 per jaar, respectievelijk f.23.08 per week zal bedragen. Indien de bruto-jaarwedde of het bruto-weekloon, bedoeld onder II, vermeerderd met de toelagen van 6 % en 10 %, beneden f.1200, resp. f.23.08 blijft, wordt het gezamenlijk bedrag der toelagen, voor zooveel noodig opgevoerd tot een totaalbedrag aan jaarwedde (weekloon) en toelagen van f.1200 (f.23.08) is bereikt;
V dat het onder I en IV bepaalde niet zal gelden voor degenen, die betrekkingen vervullen, welke als nevenbetrekkingen behooren te worden aangemerkt, tenzij de belanghebbende meer dan één nevenbetrekking in dienst van de Overheid bekleedt en hij in de gezamenlijke vervulling daarvan bij voortduring een volledige dagtaak vindt.
Voor de toepassing van het onder IV bepaalde zullen de wedden van de nevenbetrekkingen evenredig worden verhoogd tot een totaal-bedrag van f.1200 aan wedden en toelagen voor alle nevenbetrekkingen tezamen;
VI dat het bedrag van den kindertoeslag:
a) waarop krachtens de gemeentelijke salaris- en loonregelingen aanspraak bestaat, zal worden verhoogd van f.150 per jaar tot f.200 per jaar voor de ambtenaren en van f.2.90 per week tot f.3.85 per week voor de werklieden;
b) waarop voor het eerste kind aanspraak bestaat, zal worden verhoogd van f.90 por jaar tot f.140 per jaar voor de ambtenaren en van f.1.74 por week tot f.2.70 per week voor de werklieden;
VII dat aan de mannelijke ambtenaren en werklieden in vasten en tijdelijken dienst, werkzaam in volledig dienstverband, die voor de eerste maal in het huwelijk treden, op den dag van het sluiten van het huwelijk een uitkeering ineens zal worden verstrekt ten bedrage van f.360, met dien verstande, dat deze uitkeering beperkt blijft tot degenen, wier gezamenlijk bedrag aan jaarwedde (weekloon), vaste toelagen, als bedoeld onder II, en toelagen van 6 % en 10 %, op den dag der uitkeering niet meer bedraagt dan f.2088 per jaar (f.40.15 per week);
VIII dat het hiervoron bepaalde, behoudens de hierna te maken uitzondering, ook van toepassing zal zijn op ambtenaren en werklieden, die in dienst zijn op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, voor zoover bij de vaststelling van [tekst loopt door...]
--- * Sociale Hiërarchie: Het document maakt een scherp onderscheid tussen "ambtenaren" (met jaarweddes) en "werklieden" (met weeklonen). Ook is er een duidelijk verschil in compensatie tussen "gehuwden/kostwinners" en "ongehuwden".
* Compensatie voor Inflatie: Het besluit regelt diverse toeslagen (6% en 10%) en een minimumloon (f. 1200 per jaar voor 21-plussers). Dit duidt op een poging om de koopkracht van het lagere gemeentepersoneel te beschermen tegen de stijgende prijzen tijdens de bezettingsjaren.
* Gezinsbeleid: Artikel VI toont een aanzienlijke verhoging van de kindertoeslag, en Artikel VII introduceert een huwelijksuitkering voor mannen (f. 360). Dit weerspiegelt de toenmalige focus op het gezin als hoeksteen van de samenleving, waarbij de man als gezinshoofd werd financieel ondersteund.
* Inkomensgrenzen: De toeslagen zijn geplafonneerd (bijv. tot f. 2640 voor gehuwden), wat betekent dat deze maatregel specifiek gericht was op de lagere en middeninkomens binnen de gemeentelijke hiërarchie.
--- Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). Hoewel het besluit is genomen door "De Burgemeester van Amsterdam", stond het gemeentebestuur in deze periode onder streng toezicht van de bezetter. De verwijzing naar de "Achtste Verordening van den Rijkscommissaris" (Arthur Seyss-Inquart) is cruciaal; het toont aan dat lokale regelgeving direct voortvloeide uit het centrale nazi-bestuur in Den Haag.
In 1941 was Edward Voûte door de Duitsers benoemd tot regeringscommissaris (burgemeester) van Amsterdam, nadat de democratisch gekozen burgemeester De Vlugt was afgezet. Dergelijke besluiten over arbeidsvoorwaarden waren vaak bedoeld om de sociale rust onder het overheidspersoneel te bewaren en de administratie draaiende te houden, terwijl tegelijkertijd de bureaucratie werd gelijkgeschakeld met de bepalingen van de bezetter. De focus op "kostwinners" en gezinstoelagen paste bovendien in de ideologische sfeer van die tijd.