Getypte brief/doorslag (administratieve correspondentie).
Origineel
Getypte brief/doorslag (administratieve correspondentie). 3 juli 1944. 8a/67/2M.
[handgeschreven in paars: Verzonden 3/7]
3 Juli 1944. vB/SV.
ontslag overheidspersoneel
met Joodsche(n) echtgenoot(e).
Den Heer Wethouder
voor de Arbeidszaken,
A l h i e r.
Naar aanleiding van Uw circulaire
d.d. 7 Juni jl. no.1040 Arb.1944 heb ik
de eer U te berichten, dat bij mijn dienst
een ambtenaar is ontslagen, die met een
Joodsche vrouw was gehuwd. De echtgenoote
van dezen ambtenaar is van het dragen van
een ster niet vrijgesteld.
De Directeur, Dit document is een formele melding van een ontslag van een ambtenaar tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De kernpunten zijn:
- Grond voor ontslag: De ambtenaar in kwestie is niet ontslagen vanwege disfunctioneren, maar vanwege zijn huwelijk met een Joodse vrouw.
- Bureaucratische uitvoering: De brief verwijst naar een specifieke circulaire (no.1040 Arb.1944) van 7 juni 1944. Dit toont aan hoe de uitsluiting van Joden en hun naasten verankerd was in de ambtelijke regels van die tijd.
- De Jodenster: Er wordt expliciet vermeld dat de echtgenote "niet vrijgesteld" is van het dragen van de Jodenster. Dit was een cruciaal criterium; echtgenoten in 'gemengde huwelijken' konden soms aanspraak maken op bepaalde (tijdelijke) uitzonderingen, maar zodra die niet golden, volgden repressieve maatregelen voor de niet-Joodse partner, zoals ontslag uit overheidsdienst.
- Toon: De tekst is opgesteld in de destijds gebruikelijke, uiterst zakelijke en beleefde ambtelijke taal ("heb ik de eer U te berichten"), wat wrang contrasteert met de harde, discriminerende inhoud. Dit document stamt uit de late fase van de Tweede Wereldoorlog (juli 1944), slechts twee maanden voor Dolle Dinsdag. Gedurende de bezetting voerden de nazi's stapsgewijs de isolatie van de Joodse bevolking op. Nadat Joodse ambtenaren al in 1940 waren geschorst en ontslagen, richtten de maatregelen zich later ook op niet-Joodse ambtenaren die met Joden getrouwd waren.
Dergelijke maatregelen waren bedoeld om de druk op 'gemengd gehuwden' op te voeren om te scheiden, of om de sociale en economische positie van iedereen die met de Joodse gemeenschap verbonden was, volledig te vernietigen. Het document illustreert de verregaande medewerking van het lokale overheidsapparaat (in dit geval gericht aan de Wethouder voor de Arbeidszaken) aan de uitvoering van de antisemitische politiek van de bezetter.
Samenvatting
Dit document is een formele melding van een ontslag van een ambtenaar tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De kernpunten zijn:
- Grond voor ontslag: De ambtenaar in kwestie is niet ontslagen vanwege disfunctioneren, maar vanwege zijn huwelijk met een Joodse vrouw.
- Bureaucratische uitvoering: De brief verwijst naar een specifieke circulaire (no.1040 Arb.1944) van 7 juni 1944. Dit toont aan hoe de uitsluiting van Joden en hun naasten verankerd was in de ambtelijke regels van die tijd.
- De Jodenster: Er wordt expliciet vermeld dat de echtgenote "niet vrijgesteld" is van het dragen van de Jodenster. Dit was een cruciaal criterium; echtgenoten in 'gemengde huwelijken' konden soms aanspraak maken op bepaalde (tijdelijke) uitzonderingen, maar zodra die niet golden, volgden repressieve maatregelen voor de niet-Joodse partner, zoals ontslag uit overheidsdienst.
- Toon: De tekst is opgesteld in de destijds gebruikelijke, uiterst zakelijke en beleefde ambtelijke taal ("heb ik de eer U te berichten"), wat wrang contrasteert met de harde, discriminerende inhoud.
Historische Context
Dit document stamt uit de late fase van de Tweede Wereldoorlog (juli 1944), slechts twee maanden voor Dolle Dinsdag. Gedurende de bezetting voerden de nazi's stapsgewijs de isolatie van de Joodse bevolking op. Nadat Joodse ambtenaren al in 1940 waren geschorst en ontslagen, richtten de maatregelen zich later ook op niet-Joodse ambtenaren die met Joden getrouwd waren.
Dergelijke maatregelen waren bedoeld om de druk op 'gemengd gehuwden' op te voeren om te scheiden, of om de sociale en economische positie van iedereen die met de Joodse gemeenschap verbonden was, volledig te vernietigen. Het document illustreert de verregaande medewerking van het lokale overheidsapparaat (in dit geval gericht aan de Wethouder voor de Arbeidszaken) aan de uitvoering van de antisemitische politiek van de bezetter.