Getypte doorslag/afschrift van een officieel besluit.
Origineel
Getypte doorslag/afschrift van een officieel besluit. Den Haag, 18 februari 1943. De Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche Gebied (Arthur Seyss-Inquart). L.
Afschrift
No 425 Arb. 1943.
DE RYKSCOMMISSARIS
voor het bezette Nederlandsche Gebied.
Den Haag, 18 Februari 1943
Betreft: ontslag van overheidspersoneel met joodsche echtgenoot(genoote).
Op grond van § 2 der Verordening Nr. 137/40 betreffende de regeling van de rechtspositie (rechtliche und finanzielle Verhältnisse) van ambtenaren en overig personeel, alsmede van bepaalde beëedigde personen, bepaal ik:
Alle ambtenaren en overig personeel in dienst van het Ryk, van een provincie of een gemeente, die gehuwd zyn met een persoon die Jood (Jodin) is of als zoodanig wordt aangemerkt, zyn met ingang van 1 April 1943 ontslagen. Aan die ambtenaren, die aangesteld waren onder het vooruitzicht, dat hun te zyner tyd een pensioen zou worden toegekend, moet met ingang van 1 April 1943 een pensioen op grond van art. 4, le lid sub 1 der Instructie Nr. 124/41 betreffende de verzorging van ontslagen ambtenaren worden uitbetaald.
Jood in den zin van deze beschikking is degene, die uit ten minste 3 naar ras voljoodsche grootouders stamt. Als Jood wordt ook aangemerkt hy, die uit 2 voljoodsche grootouders stamt en zelf op 1 Maart 1941 tot de Joodsche geloofsgemeenschap behoorde of na dezen datum daarin werd opgenomen.
Op personen, wier huwelyk op 1 April 1943 door dood of echtscheiding is ontbonden, of die van tafel en bed zyn gescheiden, is deze beschikking niet van toepassing. * Inhoud: Dit document is een officieel bevel dat de verwijdering van niet-Joodse ambtenaren uit de overheidsdienst beveelt, enkel omdat zij getrouwd zijn met een Joodse partner. Dit gold voor alle bestuurslagen (Rijk, provincie, gemeente).
* Definitie: De tekst hanteert de nazi-definitie van wie als "Jood" wordt beschouwd: iemand met drie of vier Joodse grootouders, of twee Joodse grootouders indien de persoon ook religieus verbonden was aan de Joodse gemeenschap. Dit is een directe toepassing van de rassenwetten van Neurenberg op de Nederlandse context.
* Uitsluitingsclausule: De laatste alinea is bijzonder wrang; het ontslag kon worden voorkomen door vóór 1 april 1943 te scheiden. Dit stelde ambtenaren voor een onmenselijk dilemma: hun baan en inkomen behouden door hun partner te verlaten, of samen met hun partner de gevolgen van de vervolging ondergaan.
* Administratieve context: De verwijzing naar "Instructie Nr. 124/41" over pensioenen suggereert dat de bezetter probeerde de maatregel een zweem van legaliteit en "zorgvuldigheid" te geven, hoewel het in essentie een discriminerende zuivering was. Dit besluit uit februari 1943 markeert een verdere radicalisering van de anti-Joodse maatregelen in bezet Nederland. Nadat in 1940 de Joodse ambtenaren zelf al waren ontslagen (via de beruchte 'Ariërverklaring'), richtte de bezetter zich nu op de zogenaamde "gemengd gehuwden".
In 1943 waren de grootschalige deportaties naar de vernietigingskampen al in volle gang. Mensen in gemengde huwelijken genoten aanvankelijk nog enige bescherming tegen deportatie, maar de nazi's probeerden deze huwelijken met alle mogelijke middelen – zoals dit dreigement met ontslag – kapot te maken. Door de partner te isoleren van zijn of haar sociale en economische positie, werd de druk op het gezin opgevoerd. Desondanks weigerden veel ambtenaren te scheiden, wat vaak leidde tot grote armoede en sociale uitsluiting tijdens de rest van de oorlogsjaren.