Getypte ambtelijke brief/memorandum.
Origineel
Getypte ambtelijke brief/memorandum. 29 februari 1944. De Directeur (van het bedrijf der Vischmarkt). Bovenaan staat een handgeschreven notitie: "Verzonden 29/2 H Muller". Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier. [Handgeschreven in potlood:] Verzonden 29/2 H Muller
10/4/1M. 1 29 Februari 1944. M/SV.
Verkorte balans per
ultimo December 1943
van het bedrijf der
Vischmarkt.
Den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r.
===========
Gevolg gevende aan de opdracht vervat
in de circulaire van Uw Ambtgenoot voor de
Financien d.d. 20 Juli 1939 (no.910/203 Fin.
1939), heb ik de eer U in bijlage dezes een
verkorte balans per ultimo December 1943 van
het bedrijf der Vischmarkt te doen toekomen
sluitende met een verlies saldo groot
f. 5.571,75.
In de begrooting voor 1943 werd het na-
deelig saldo op f. 1.- geraamd.
Het ongunstige resultaat vindt zijn
oorzaak in hoofdzaak in het feit dat de aan-
voer van mosselen belangrijk beneden de ver-
wachting is gebleven en de ontvangsten aan
"mosselengeld" dientengevolge lager waren dan
oorspronkelijk werd geraamd.
De Directeur,
[Paraaf in paarse inkt] Het document is een financieel verantwoordingsstuk van de gemeentelijke Vischmarkt aan het college van Wethouders (specifiek de wethouder voor Levensmiddelen). De kern van de rapportage is dat het boekjaar 1943 is afgesloten met een aanzienlijk verlies van **f. 5.571,75**.
Opvallend is de vergelijking met de begroting: men had een symbolisch verlies van slechts f. 1,- geraamd (een methode om een begrotingspost 'open' te houden of een nuleffect te suggereren). De directeur wijst een specifieke oorzaak aan voor dit tekort: het tegenvallen van de mosselaanvoer. Dit leidde tot een tekort aan "mosselengeld", de marktgelden of belastingen die per aangevoerde eenheid werden geïnd. De datum van het document, 29 februari 1944, plaatst deze correspondentie midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Dit verklaart waarschijnlijk de tegenvallende mosselaanvoer. De visserij op de Noordzee en in de Zeeuwse wateren was in die periode uiterst riskant en beperkt door:
1. Mijnenvelden en militaire beperkingen door de Kriegsmarine.
2. Gebrek aan brandstof (olie/diesel) voor de vissersvloot.
3. Vordering van schepen door de bezetter.
Het feit dat er gerapporteerd wordt aan de "Wethouder voor de Levensmiddelen" onderstreept hoe de distributie en controle van voedsel een cruciale overheidstaak was geworden tijdens de oorlogsjaren. De administratieve verwijzing naar een circulaire uit 1939 toont aan dat de bureaucratische processen uit de vooroorlogse periode tijdens de bezetting grotendeels werden voortgezet.