Dienstbrief (doorslag/kopie)
Origineel
Dienstbrief (doorslag/kopie) 26 februari 1942 De Directeur (waarschijnlijk van een gemeentelijke dienst of politieafdeling te Amsterdam) Den Heer Stadsingenieur, Voorzitter Kleine Benzinecommissie, Raadhuis, Kamer 198, Amsterdam-Centrum. Handgeschreven (potlood): extra
Rechtsboven getypt: HG.
den Heer Stadsingenieur,
Voorzitter Kleine Benzinecommissie,
Raadhuis, Kamer 198,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 3.
37/13/8 M. 26 Februari 1942.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 27 Januari jl. (No.S.I. 399/111 F II) heb ik de eer U te berichten, dat uit een dezerzijds ingesteld onderzoek is gebleken, dat de grossier C. de Jong zijn auto gebruikt voor leveranties aan de Duitsche Weermacht.
Dezerzijds bestaat tegen het verleenen van de gevraagde toestemming geen bezwaar.
De Directeur, Dit document is een ambtelijke mededeling uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland. De "Directeur" (wiens specifieke afdeling niet op dit afschrift staat, maar mogelijk de politie of een distributiedienst betreft) rapporteert aan de voorzitter van de "Kleine Benzinecommissie" over een onderzoek naar een zekere grossier C. de Jong.
De essentie van de brief is dat er geen bezwaar is tegen het verlenen van een (brandstof)vergunning aan deze grossier, omdat is vastgesteld dat hij met zijn auto goederen levert aan de Duitse Weermacht. In de logica van het bezettingsbestuur was dit een doorslaggevend argument om schaarse middelen zoals benzine toe te wijzen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was brandstof in Nederland uiterst schaars en vanaf het begin van de bezetting streng gerantsoeneerd. Alleen personen en bedrijven die een essentieel maatschappelijk of economisch doel dienden, kwamen in aanmerking voor een vergunning om met een motorvoertuig te rijden.
De 'Benzinecommissies' waren belast met de beoordeling van deze aanvragen. Zoals uit deze brief blijkt, werd "leverantie aan de Duitsche Weermacht" gezien als een legitieme reden voor toewijzing. Dit type documentatie illustreert hoe het civiele apparaat in Amsterdam onder de bezetter bleef functioneren en hoe economische activiteit ten behoeve van de Duitse oorlogsmachine werd gefaciliteerd door de lokale bureaucratie. C. de Jong Politie
Samenvatting
Dit document is een ambtelijke mededeling uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland. De "Directeur" (wiens specifieke afdeling niet op dit afschrift staat, maar mogelijk de politie of een distributiedienst betreft) rapporteert aan de voorzitter van de "Kleine Benzinecommissie" over een onderzoek naar een zekere grossier C. de Jong.
De essentie van de brief is dat er geen bezwaar is tegen het verlenen van een (brandstof)vergunning aan deze grossier, omdat is vastgesteld dat hij met zijn auto goederen levert aan de Duitse Weermacht. In de logica van het bezettingsbestuur was dit een doorslaggevend argument om schaarse middelen zoals benzine toe te wijzen.
Historische Context
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was brandstof in Nederland uiterst schaars en vanaf het begin van de bezetting streng gerantsoeneerd. Alleen personen en bedrijven die een essentieel maatschappelijk of economisch doel dienden, kwamen in aanmerking voor een vergunning om met een motorvoertuig te rijden.
De 'Benzinecommissies' waren belast met de beoordeling van deze aanvragen. Zoals uit deze brief blijkt, werd "leverantie aan de Duitsche Weermacht" gezien als een legitieme reden voor toewijzing. Dit type documentatie illustreert hoe het civiele apparaat in Amsterdam onder de bezetter bleef functioneren en hoe economische activiteit ten behoeve van de Duitse oorlogsmachine werd gefaciliteerd door de lokale bureaucratie.