Handschriftelijke concept-notitie / ambtelijk ontwerp.
Origineel
Handschriftelijke concept-notitie / ambtelijk ontwerp. 23 december 1943 (ondertekend). [doorgehaald: Ik heb de eer U te]
onder 1° A XII van dit besluit is aange-
wezen als tijdelijke hulpmarkt van de
Boom- en Bloemenmarkt des Singel (zuidzijde)
tusschen de Wijde Heisteeg en het Koningsplein,
en wel op Dinsdag, Donderdag en Zaterdag.
Hierachter wordt ingevoegd de bepaling
[in de marge: Gecorr. Gerap.] dat die [doorgehaald: Boom- en Bloemenmarkt] hulpmarkt
op Dinsdag en Zaterdag niet vóór 10 uur
v.m. mag aanvangen.
Ik heb de eer U beleefd te verzoeken
wel te willen bevorderen, dat ingevolge
artikel 7 lid 2 van de Verordening op
den dienst van het Marktwezen, de boven-
genoemde tijdelijke hulpmarkten, niet
uitgezonderd de hulpmarkten, welke
worden gehouden op het Waterlooplein, Minerva-
plein en in de Jacobs Obrechtstraat (uitsluitend voor
Joodsche marktkooplieden en Joodsche be-
zoekers), met ingang van 1 Januari 1944
voor den tijd van ten hoogste één jaar
worden aangewezen.
DD.
[Paraaf] 23/12 '43 Het document bevat twee kernpunten:
1. Regulering van de Bloemenmarkt: Er wordt een beperking voorgesteld voor de hulpmarkt van de Boom- en Bloemenmarkt aan het Singel. Op dinsdag en zaterdag mag deze pas na 10:00 uur 's ochtends beginnen.
2. Verlenging van Marktvergunningen: De auteur verzoekt om de aanwijzing van diverse tijdelijke hulpmarkten met een jaar te verlengen (tot 1 januari 1945). Dit betreft onder andere de markten op het Waterlooplein, het Minervaplein en de Jacob Obrechtstraat.
Opvallend is de expliciete vermelding dat deze laatste drie locaties "uitsluitend voor Joodsche marktkooplieden en Joodsche bezoekers" bestemd zijn. Dit illustreert hoe de bureaucratie tot in de kleinste details de segregatie en uitsluiting van de Joodse bevolking formaliseerde. Tijdens de Duitse bezetting van Nederland werden vanaf medio 1941 ingrijpende beperkende maatregelen opgelegd aan de Joodse bevolking. Een daarvan was de verbanning van Joodse handelaren van de reguliere markten. In Amsterdam werden drie specifieke locaties aangewezen als "Joodsche markten": het Waterlooplein (in het centrum), het Minervaplein (Zuid) en de Jacob Obrechtstraat (Zuid).
Niet-Joden was het verboden deze markten te bezoeken of er te handelen. Hoewel in december 1943 (de datum van dit document) het overgrote deel van de Joodse bevolking van Amsterdam al was weggevoerd naar de concentratie- en vernietigingskampen, bleef het ambtelijke apparaat de regels omtrent deze markten formeel verlengen en vastleggen. Dit document is een direct bewijs van de "administratieve banaliteit" van de Jodenvervolging in bezet Nederland.