Archief 745
Inventaris 745-422
Pagina 459
Dossier 6
Jaar 1944
Stadsarchief

Extract uit het Boek der Besluiten van de Burgemeester van Amsterdam.

28 april 1944.

Origineel

Extract uit het Boek der Besluiten van de Burgemeester van Amsterdam. 28 april 1944. 8A/50/1 m '44

Uitvoeringsvoorschriften toekenning vaste toelage van 10% aan lager bezoldigd gemeentepersoneel enz.

No. 500$^e$ Arb. 1944.

E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten
van den Burgemeester van Amsterdam.
Vrijdag, 28 April 1944.

Op voorstel van den Wethouder voor de Arbeidszaken neemt de Burgemeester het volgende besluit:
De Burgemeester van Amsterdam;
Gezien zijn besluit van heden, No. 126 (genomen ter waarneming van de taak van den Gemeenteraad), houdende eenige verdergaande maatregelen ter verbetering van de salarispositie van een gedeelte van het gemeentepersoneel;
Gezien de besluiten van den Gemeenteraad van 5 October 1934, No. 831, en van 10 Juni 1936, Nos. 295 en 296, in zake het ontslag van werklieden en ambtenaren van ouderen leeftijd;
Gelet op art. 4(4) der Wachtgeldverordening;
Mede gelet op de bepalingen van de Achtste Verordening van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied betreffende bijzondere maatregelen op administratiefrechtelijk gebied (Verordening No. 152/1941) en van de Eerste Beschikking ter uitvoering van deze verordening (Nederlandsche Staatscourant van 19 Augustus 1941, No. 160),

B e s l u i t :

I ter kennis te brengen van de hoofden van administratiën, diensten en bedrijven zijn hierbijgevoegd besluit van 28 April 1944, No. 126, genomen ter waarneming van de taak van den Gemeenteraad;
II te bepalen, dat:
1e het onder I bedoelde besluit en het hieronder ter uitvoering daarvan bepaalde mede van toepassing zijn op de werklieden en ambtenaren, aan wie, wegens het bereiken van den 57-jarigen of een ouderen leeftijd, eervol ontslag is verleend, alsmede op de ambtenaren, die op wachtgeld zijn gesteld;
2e het onder I bedoelde besluit niet van toepassing is op werklieden, ambtenaren en arbeidscontractanten, die van hun betrekking zijn ontheven op grond van het feit, dat zij Jood waren of met Joden waren gehuwd, noch op ambtenaren en werklieden, die ontslagen zijn onder toekenning van pensioen krachtens de Instructie van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche Gebied betreffende de verzorging van ontslagen ambtenaren, dd. 5 Juli 1941 (Verordeningenblad 1941, stuk 28, No. 124);
3e bij de berekening der toelagen van 6 en 10 ten honderd de toelage van 6 ten honderd voorrang zal hebben (b.v. salaris f. 1900, tijdelijke toelage van 6% f. 114 [doorgehaald en verbeterd naar:] f. 100 en vaste toelage van 10% f. 190; pensioengrondslag vast te stellen op f. 2090);
4e voor de toepassing van het bepaalde onder IV van het onder I bedoelde besluit het bedrag, benoodigd voor de aanvulling van het gezamenlijk inkomen aan salaris of loon en toelagen tot f. 1200 per jaar, zal worden toegekend als een afzonderlijke tijdelijke toelage, welke bij het toekennen van periodieke verhooging vermindering zal ondergaan;
5e de toelage voor uniformkleeding, de kastoelage en de toelage voor onvermijdelijk overwerk niet worden aangemerkt als vaste toelage;
6e de vaste toelage van 10 ten honderd voor de werklieden der Arbeidersreserve, die bij een diensttak zijn te werk gesteld, 10 ten honderd bedraagt van het loon der loonklasse, waarin zijn ingedeeld de werkzaamheden, welke zij bij dien diensttak verrichten;
7e de vaste toelage van 10 ten honderd voor de werklieden, die te werk gesteld zijn in een hoogere loonklasse, toegekend wordt van het loon van die loonklasse;
8e de toelage van 10 ten honderd voor de schoonmaaksters, die geen 48 uur per week werken, zal worden berekend door 10% van het uurloon (vermeerderd met de vaste toelage van 4 ct.) te vermenigvuldigen met het aantal werkuren;

C.S. Stadhuis
A'dam 4-'44 No. 97.

--- Dit document is een administratieve uitwerking van een loonmaatregel in oorlogstijd. De kern is de toekenning van een loonsverhoging (een 'toelage') van 10% voor gemeentepersoneel met een laag inkomen.

Opvallende punten:
* Bestuurlijke structuur: De burgemeester neemt het besluit "ter waarneming van de taak van den Gemeenteraad". Dit illustreert de uitschakeling van de lokale democratie; de gemeenteraad was door de bezetter ontbonden, waardoor de burgemeester (in dit geval de collaborateur Edward Voûte) dictatoriale bevoegdheden op stadsniveau kreeg.
* Uitsluiting van Joden (Punt 2e): Dit is het meest historisch significante onderdeel. Het document stelt expliciet dat de loonsverhoging niet geldt voor personeel dat is ontslagen omdat zij Joods waren of met een Joodse partner getrouwd waren. Dit is een direct gevolg van de Ariërverklaring en de daaropvolgende ontslagen van Joodse ambtenaren (november 1940). Zelfs na hun ontslag werden zij structureel financieel benadeeld ten opzichte van hun 'Arische' oud-collega's.
* Financiële techniek: De punten 3 tot en met 8 bevatten zeer gedetailleerde rekenregels. Dit wijst op een poging om ondanks de oorlogsomstandigheden en de inflatie de schijn van een nauwkeurige, bureaucratische rechtsstaat op te houden.

--- Het document dateert van april 1944, een jaar waarin de economische nood in bezet Nederland hoog was. De prijzen stegen en veel goederen waren alleen op de zwarte markt verkrijgbaar. Om sociale onrust onder het overgebleven overheidspersoneel te voorkomen, werden dit soort beperkte looncorrecties doorgevoerd.

Tegelijkertijd toont het document hoe diep de nationaalsocialistische rassenideologie was doorgedrongen in de normale ambtelijke administratie. De verwijzingen naar verordeningen van de Rijkscommissaris (Seyss-Inquart) tonen de totale ondergeschiktheid van het Amsterdamse stadsbestuur aan de Duitse bezettingsmacht. De uitsluiting in punt 2e is een kille administratieve vastlegging van de Jodenvervolging: terwijl de meeste Amsterdamse Joden in 1944 al waren gedeporteerd, zorgde de bureaucratie er tot in detail voor dat zij geen cent te veel zouden ontvangen.

Samenvatting

Dit document is een administratieve uitwerking van een loonmaatregel in oorlogstijd. De kern is de toekenning van een loonsverhoging (een 'toelage') van 10% voor gemeentepersoneel met een laag inkomen.

Opvallende punten:
* Bestuurlijke structuur: De burgemeester neemt het besluit "ter waarneming van de taak van den Gemeenteraad". Dit illustreert de uitschakeling van de lokale democratie; de gemeenteraad was door de bezetter ontbonden, waardoor de burgemeester (in dit geval de collaborateur Edward Voûte) dictatoriale bevoegdheden op stadsniveau kreeg.
* Uitsluiting van Joden (Punt 2e): Dit is het meest historisch significante onderdeel. Het document stelt expliciet dat de loonsverhoging niet geldt voor personeel dat is ontslagen omdat zij Joods waren of met een Joodse partner getrouwd waren. Dit is een direct gevolg van de Ariërverklaring en de daaropvolgende ontslagen van Joodse ambtenaren (november 1940). Zelfs na hun ontslag werden zij structureel financieel benadeeld ten opzichte van hun 'Arische' oud-collega's.
* Financiële techniek: De punten 3 tot en met 8 bevatten zeer gedetailleerde rekenregels. Dit wijst op een poging om ondanks de oorlogsomstandigheden en de inflatie de schijn van een nauwkeurige, bureaucratische rechtsstaat op te houden.


Historische Context

Het document dateert van april 1944, een jaar waarin de economische nood in bezet Nederland hoog was. De prijzen stegen en veel goederen waren alleen op de zwarte markt verkrijgbaar. Om sociale onrust onder het overgebleven overheidspersoneel te voorkomen, werden dit soort beperkte looncorrecties doorgevoerd.

Tegelijkertijd toont het document hoe diep de nationaalsocialistische rassenideologie was doorgedrongen in de normale ambtelijke administratie. De verwijzingen naar verordeningen van de Rijkscommissaris (Seyss-Inquart) tonen de totale ondergeschiktheid van het Amsterdamse stadsbestuur aan de Duitse bezettingsmacht. De uitsluiting in punt 2e is een kille administratieve vastlegging van de Jodenvervolging: terwijl de meeste Amsterdamse Joden in 1944 al waren gedeporteerd, zorgde de bureaucratie er tot in detail voor dat zij geen cent te veel zouden ontvangen.

Kooplieden in dit dossier 100

A.C. Cobussen Waterlooplein 499,42 6)
A.H. Bijland Waterlooplein 1664,98 5)
A.H. Bijland Waterlooplein 42
A.H. de Haer Waterlooplein 41
A.H. de Haer Waterlooplein 2690,20
A.H. Klaassens Waterlooplein 2046,82
A.H. Klaassens Waterlooplein 46
A.J.J. Barbiers Waterlooplein 46
A.J.I. Barbiers Waterlooplein 2353,76 5)
M. Burg Waterlooplein
W. Rijbrodt Waterlooplein
A.W. Rijvordt Waterlooplein 42
B. Felthuis Waterlooplein 1815,44
B. Felthuis Waterlooplein 45
C. Bakker Waterlooplein 1656.--
C. Bakker Waterlooplein 44
C. Blom Waterlooplein 44
C.F. Eggelte Waterlooplein 2175,15
C.F. Eggelte Waterlooplein 42
C.J.v. Moerkerken Waterlooplein 43
C.L.J. Lek Waterlooplein 42
C. Veerman Waterlooplein 45
D.H. Schiermeier Waterlooplein 45
E.A. Engelen Waterlooplein 1904,16
A. Littelugt Waterlooplein
F.A. Uitvlugt Waterlooplein 42
F. Koning Waterlooplein 43
F. Reinen Waterlooplein 43
F.W. Stroer Waterlooplein 47
G.A. Oosterhoff Waterlooplein
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6