Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). December 1941. A. Grenman, Ploegstraat 103, Amsterdam. № $20/46/1$ M. $1941 \frac{2}{12}$
Amsterdam, Dec. 1941
Aan den Weled. Heer Inspecteur
van het Marktwezen,
Amsterdam
Mijnheer,
Ondergetekende, A. Grenman – Ploegstraat 103
solliciteerde enige weken geleden bij U als nacht-
waker voor de markt aan de Spaarstraat. U deed
mij toen de toezegging, dat, indien er iemand zou
worden aangesteld, ik als zodanig zou mogen fungeren.
Hiertoe zoudt U echter eerst een onderhoud willen
hebben met enige marktkooplieden ten Uwen kantore.
Alhoewel enige kooplieden (oudbestuurders van de
kortelings opgeheven Marktkoopliedenbond) mij toe-
zegden deze kwestie met U te bespreken, bleven zij
tot op heden in gebreke. Dit motiveerden zij als
volgt:
"Wanneer wij als vertegenwoordigers van de markt-
kooplieden optreden, dan vloeien daar konsekwenties
uit voort, die wij als persoon niet op ons kunnen
en willen nemen."
De redenering van deze mensen houdt geens-
zins in, dat zij niet gesteld zijn op de bewaking van
hun goederen. Het tegendeel is waar. In deze brief herinnert Abraham Grenman de Inspecteur van het Marktwezen aan een eerdere toezegging voor de functie van nachtwaker op de markt in de Spaarstraat (gelegen in de Staatsliedenbuurt). De inspecteur stelde als voorwaarde dat er eerst overleg moest plaatsvinden met de marktkooplieden zelf.
De kern van de brief ligt in de weigering van de voormalige bestuursleden van de "Marktkoopliedenbond" om als vertegenwoordigers op te treden. Zij vrezen voor "konsekwenties". Grenman benadrukt dat deze terughoudendheid niet voortkomt uit een gebrek aan behoefte aan bewaking, maar uit angst of onwil om in een officiële hoedanigheid te fungeren tegenover de autoriteiten.
Het handschrift is een vlot, hellend currens, kenmerkend voor de eerste helft van de 20e eeuw. De brief is zakelijk maar dwingend van toon, bedoeld om de bureaucratische impasse te doorbreken. De datum — december 1941 — is cruciaal voor het begrip van dit document. Nederland was op dat moment ruim anderhalf jaar bezet door nazi-Duitsland. De vermelde "kortelings opgeheven Marktkoopliedenbond" wijst op de gelijkschakeling van beroepsverenigingen door de bezetter.
De angst voor "konsekwenties" bij de kooplieden moet in dit licht worden gezien: in 1941 was het gevaarlijk om namens een groep op te treden, zeker als die groep joodse leden had of als de vereniging door de bezetter was ontbonden. Onderzoek in archieven (zoals het Joods Monument) bevestigt dat Abraham Grenman een joodse Amsterdammer was. Dit geeft een extra gelaagdheid aan de brief: de "konsekwenties" waar de oud-bestuurders over spreken, hadden waarschijnlijk direct te maken met de anti-joodse maatregelen die in die periode de Amsterdamse markten hard troffen. Grenman probeerde in een steeds vijandiger wordende omgeving via legale weg in zijn levensonderhoud te voorzien.