Afschrift van een ambtelijke brief.
Origineel
Afschrift van een ambtelijke brief. 28 januari 1942. Departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart; Rijksbureau voor de Distributie van Textielproducten door den Handel ('s-Gravenhage). Rijksbureau voor de Distributie van Textielproducten door den Handel (Amsterdam-Centrum), t.a.v. de heer E.S. Buers. Afschrift.
DEPARTEMENT VAN HANDEL, NIJVERHEID EN SCHEEPVAART.
RIJKSBUREAU VOOR DE DISTRIBUTIE VAN
TEXTIELPRODUCTEN DOOR DEN HANDEL. 's-Gravenhage, 28 Januari 1942.
Betr.Hoofdinspectie
chineessche marktventers.
Aan het Rijksbureau voor de Distributie
van Textielproducten door den Handel,
Heerengracht 328,
Amsterdam-Centrum.
Ter attentie van den heer E.S.Buers.
Mijnheer,
Wij ontvingen Uw schrijven d.d. 21-1-1942 en deelen U mede, dat wij er niet mede accoord kunnen gaan den door U genoemden Chineetzen een V M -vergunning te geven. De Chineetzen hebben vroeger ook nooit op de markt gestaan, doch zich beperkt tot het ventersvak. Indertijd hebben zij dus wel degelijk geweten, dat zij een V-vergunning behooren te hebben en niet een M-vergunning.
Wij verzoeken U dit aan den Directeur van het Marktwezen te Amsterdam mede te deelen. U kunt hieraan nog toevoegen, dat wanneer deze menschen niet van de markt wegblijven, wij tot het innemen hunner V-vergunning zullen overgaan en hun leveranciers opdracht zullen geven hun niet meer te leveren.
Het schrijven van het Marktwezen doen wij U bijgaand wederom toekomen.
Hoogachtend,
Rijksbureau voor de Distributie van
Textielproducten door
den Handel.
w.g.onleesbaar.
NO 20/49/3 M. 1941 De kern van deze brief is een weigering van de centrale autoriteit in Den Haag om Chinese verkopers een gecombineerde vergunning (V M-vergunning) te verlenen die hen toegang zou geven tot de formele markten in Amsterdam.
De argumentatie is strikt bureaucratisch: de Chinezen zouden van oudsher alleen "venters" (straatverkopers die langs de deuren gaan) zijn en geen marktkooplieden. De brief bevat een dreigement: indien deze groep zich toch op de markt begeeft, wordt hun hun bestaande ventersvergunning (V-vergunning) ontnomen. Bovendien wordt gedreigd met een boycot door leveranciers, wat in de context van de distributie en schaarste tijdens de oorlogstijd een effectief doodvonnis voor hun handel betekende. Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland (januari 1942). In deze tijd was alles – en zeker textiel – schaars en strikt gereguleerd via een distributiesysteem. De overheid oefende via de Rijksbureaus totale controle uit over wie wat mocht verkopen.
De brief werpt licht op de positie van de Chinese gemeenschap in Amsterdam tijdens de oorlog. Veel Chinezen (vaak voormalige zeelieden) verdienden hun brood als straatverkoper (bijvoorbeeld van pinda's of textiel). De bezetter en de meewerkende Nederlandse bureaucratie trachtten deze "onregelmatige" vormen van handel in te perken en groepen die niet in het ideale plaatje pasten, economisch te marginaliseren. De toon van de brief is kil en repressief, kenmerkend voor het autoritaire bestuur onder het bewind van de Seyss-Inquart periode.