Ambtelijke brief (doorslag).
Origineel
Ambtelijke brief (doorslag). 11 maart 1941. Onbekende ambtenaar (referentie D/HG.). De Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam. D/HG.
20/7/5 M.
Extra
11 Maart 1941.
Verzoek van J. Dillen om weder tot de markten te worden toegelaten.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van de met Uw kantbrief d.d. 17 Februari jl. om nader advies ontvangen stuk no.24/1 L.M.1941 heb ik de eer U te berichten, dat ik adressant op 7 Maart jl. voor het geven van nadere inlichtingen heb ontvangen. Hij deelde daarbij mede, dat hij op de markten zou willen verkoopen zijn artikel Vitogeen D 1 en als bij-artikelen: likdoorntinctuur en melkpoeder. Ten aanzien van het artikel Vitogeen deelde hij mede, dat dit geen geneesmiddel is, doch uitsluitend een versterkingspraeparaat, dat zoowel door gezonden als zieken kan worden gebruikt. Hij verklaarde zich bereid de gebruiksaanwijzing, (overgelegd bij mijn brief van 5 Februari jl. No.20/7/2 M.) niet meer aan het publiek uit te reiken, noch die welke ik hierbij overleg en welke alleen in zooverre van de eerstbedoelde afwijkt, dat het woord "versterkend" is ingelascht; hij deelde verder mede, ook overigens niet over geneesmiddelen te zullen praten. Hij zou over het onderhavige product slechts willen zeggen, dat het versterkend is voor alle zwakten. Adressant deelde nog mede, dat het product Vitogeen, waarvoor hij den alleenverkoop voor Nederland heeft, behalve door hem persoonlijk op de markten alleen door apothekers wordt verkocht en niet door drogisten en dat hij ook leverancier is van de fa. Brocades. Verder deelde hij mede, reeds een vergunning van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied te bezitten, waarbij hem is toegestaan zijn producten op de markten te verkoopen; hij bezet dan ook plaatsen in alle steden van Nederland, waar markten worden gehouden, zelfs in Limburg, waar de bepalingen ten aanzien van den verkoop van geneesmiddelen zeer streng zijn; hij achtte het echter toch gewenscht ter zake eveneens toestemming te verkrijgen van het Gemeentebestuur van Amsterdam; ten slotte verklaarde hij, dat hij met het antwoord van het Gemeentebestuur moest terugkomen bij den Rijkscommissaris. * Onderwerp: Een verzoek van een handelaar (J. Dillen) om producten te mogen verkopen op de Amsterdamse markten.
* Juridische afbakening: Er is een duidelijke focus op de definitie van het product "Vitogeen D 1". Door het als "versterkingspraeparaat" in plaats van "geneesmiddel" te bestempelen, probeert de handelaar strengere regelgeving voor de verkoop van medicijnen te ontwijken.
* Argumentatie: Dillen voert aan dat hij al vergunningen heeft van de hoogste bezettingsautoriteit en reeds in andere steden actief is. Hij benadrukt zijn professionele netwerk (fa. Brocades, apothekers) om betrouwbaarheid uit te stralen.
* Machtsverhoudingen: Het document toont de spanning tussen de lokale gemeente en de centrale bezettingsmacht. Dillen suggereert dat de Rijkscommissaris meekijkt met de beslissing van de gemeente Amsterdam. Dit document stamt uit de vroege bezettingstijd (maart 1941). De bureaucratie in Nederland draaide onder de Duitse bezetter (Rijkscommissariaat) door, maar lokale overheden zoals de gemeente Amsterdam behielden in eerste instantie een zekere mate van zeggenschap over zaken als markthandel en voedselvoorziening.
De vermelding van de Rijkscommissaris geeft aan dat ondernemers de bezettingsautoriteiten gebruikten (of moesten gebruiken) om druk uit te oefenen op lokale bestuurders. Het artikel "Vitogeen D 1" was een van de vele gezondheidsproducten die in een tijd van beginnende schaarste en rantsoenering populair waren als 'versterkend middel'.