Getypte doorslag van een officiële brief (pagina 2).
Origineel
Getypte doorslag van een officiële brief (pagina 2). 11 maart 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Markthallen of de Dienst van het Marktwezen te Amsterdam). Bladz. No.2 van brief No.20/7/5 M. d.d. 11 Maart 1941.
Voor wat mijn standpunt betreft moge ik U verwijzen
naar mijn brief van 5 Februari jl. No.20/7/2 M. en de daarbij
gevoegde bijlagen; tegenover de bewering van Dillen, dat hij
zijn waren niet meer als geneesmiddelezal aanprijzen, staat
het feit, dat hij, in 1936(vide Besluit van Burgemeester en
Wethouders d.d. 21 Augustus 1936 no.23/8 L.M.1936) voorgoed
van de markten te Amsterdam uitgesloten zijnde, in October
1940, toen hem als proef weder een plaats werd toegewezen,
zich opnieuw aan dergelijke practijken schuldig heeft gemaakt
als waarvoor hij in 1936 werd uitgesloten.
Meer speciaal moge ik Uw aandacht vestigen op de
uitlating van adressant zelf, neergelegd in het, onder de bij-
lagen bij vorenvermelden brief van 5 Februari jl. bevindende
rapport van den marktopzichter Buenting, dat "hij een kwak-
zalver is, echter van de goede soort".
Voorts moge ik erop wijzen, dat, indien adressant
weder tot de markten zou worden toegelaten, hiervan de conse-
quentie zal zijn, dat andere dergelijke personen niet langer
kunnen worden geweerd.
Ik moge aan Uw beter oordeel overlaten - gelet op
de hierboven vermelde uitlatingen van adressant - of Dillen
bij wijze van proef weder tot de markten moet worden toege-
laten. Terzake ware wellicht eveneens het oordeel in te winnen
van den Directeur van den Gemeentelijken Geneeskundigen en
Gezondheidsdienst.
De Directeur,
[In de linker marge staat een handgeschreven of later toegevoegde correctie-notitie:]
/zich * Inhoud: Dit document betreft een negatief advies over het toelaten van een koopman genaamd Dillen tot de openbare markten in Amsterdam. Dillen was in 1936 al definitief uitgesloten door het College van B&W vanwege het aanprijzen van waren als geneesmiddelen zonder bevoegdheid (kwakzalverij). Ondanks een proefperiode in 1940 verviel hij in oud gedrag.
* Kernpunt: De directeur wijst op het precedent dat geschapen zou worden als Dillen weer wordt toegelaten; het zou dan onmogelijk worden om andere "kwakzalvers" te weren.
* Stijl: Formeel-ambtelijk, kenmerkend voor de vroege 20e-eeuwse Nederlandse administratie.
* Opvallend detail: De geciteerde uitspraak van Dillen zelf dat hij "een kwakzalver is, echter van de goede soort" wordt tegen hem gebruikt als bewijs van ongeschiktheid. De directeur suggereert om de GG&GD (Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst) om advies te vragen voor een definitief oordeel. Dit document dateert uit maart 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de bezettingscontext niet direct in de tekst naar voren komt (het betreft hier een reguliere marktverordening-kwestie), toont het de strikte handhaving van gemeentelijke regels aan het begin van de jaren '40. De strijd tegen kwakzalverij op markten was een langlopend thema in de stedelijke regelgeving om de volksgezondheid te beschermen en te voorkomen dat ongeschoolde verkopers medische claims maakten voor hun producten. De brief illustreert de bureaucratische zorgvuldigheid waarmee dergelijke verzoeken om terugkeer werden behandeld, inclusief verwijzingen naar besluiten die vijf jaar daarvoor waren genomen.