Handgeschreven ambtelijke notitie/rapportage.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie/rapportage. [Bovenaan de pagina, in kolommen:]
levensmiddelen | kleeding
---------------|---------
56 | geene.
| [Rechtsboven staat het paginanummer '2' omcirkeld]
C. Venters
[onderstreept]
Destijds kan niet worden nage-
gaan hoeveel ventvergunningen voor
levensmiddelen en kleeding zijn
uitgereikt aan Joodsche Kooplieden,
~~(om dit te onderzoeken, zou een onderzoek moeten
worden ingesteld, waarvoor veel tijd gemoeid zou zijn - i.v.m.
het grote aantal vergunningen dat is uitgegeven)~~ [deze regels zijn doorgehaald]
[In de linkermarge bij de doorhaling:] (vooralsnog achterwege gelaten)
Eventueel is mij bekend of de betreffende
venters hun brood plegen te ver-
dienen in straten met een overwegend
Joodsche bevolking. Ik volsta der-
halve met een opgave van [tussenvoeging: de, tot en met 30/11 '40] het aantal
~~uitgegeven~~ ventvergunningen aan
venters met levensmiddelen en
kleeding in de wijken Centrum en
Oost (dit zijn de wijken, waarin de
buurten met overwegend Joodsche bevolking
zijn gelegen)
[Tabel:]
Centrum | Oost
---|---
levensmiddelen | kleeding | levensmiddelen | kleeding
365 | geen | 291 | geen
De opkoopers (van lompen e.d.)
zijn hierbij
buiten beschouwing gelaten, daar
deze niet aan het publiek verkoopen,
doch uitsluitend van het publiek
koopen.
D.D. [Initialen] * Administratieve vertraging: De schrijver van het document geeft in de doorgehaalde tekst aan dat een exact onderzoek naar de identiteit (Joods of niet-Joods) van de vergunninghouders te veel tijd zou kosten vanwege de grote aantallen. Als pragmatische oplossing is er gekozen voor een geografische benadering: het tellen van vergunningen in wijken waar veel Joden wonen.
* Statistiek: In de wijken Centrum en Oost zijn respectievelijk 365 en 291 vergunningen voor de verkoop van levensmiddelen geteld. Opvallend is dat er voor kleding "geen" vergunningen genoteerd staan in deze tabel, wat kan duiden op een strikt onderscheid in vergunningstypes of een specifiek verbod.
* Uitsluiting lompenhandel: De handelaar in lompen (een sector waarin historisch gezien veel Joodse Amsterdammers werkzaam waren) wordt expliciet buiten deze statistiek gelaten. De reden hiervoor is strikt juridisch-economisch: zij verkopen niets aan het publiek, maar kopen alleen van het publiek. Dit document is een treffend voorbeeld van de bureaucratische voorbereidingen tijdens de Duitse bezetting van Nederland (Tweede Wereldoorlog). In de loop van 1940 en 1941 begon de bezetter, vaak met medewerking van de lokale bureaucratie, het Joodse leven en de Joodse economische activiteiten in kaart te brengen.
De focus op "Joodsche Kooplieden" en de wijken Centrum en Oost (de traditionele Joodse buurten in Amsterdam) wijst op een vroege fase van de 'Arisering' en de uiteindelijke uitsluiting van Joden uit het openbare en economische leven. De registratie van vergunningen was vaak een voorbode van het intrekken daarvan of van de onteigening van Joodse bedrijven. De datum 30 november 1940 valt midden in de periode waarin de eerste grote reeks anti-Joodse verordeningen werd uitgevaardigd.