Afschrift van een brief.
Origineel
Afschrift van een brief. 7 maart 1941. Kooplieden- en Marktkramersbond "Mercurius". WelEd. Heer Wethouder van het Marktwezen, Amsterdam. No.20/12/1 M.1941 13/3 AFSCHRIFT.
No.290 L.M.1941.8/3
KOOPLIEDEN- EN MARKTKRAMERSBOND "MERCURIUS".
Amsterdam, 7 Maart 1941.
Aan Den WelEd.Heer Wethouder
van het Marktwezen.
Raadhuis,
A l h i e r .
WelEd.Heer,
In verband met het verbod in Amsterdam, om alleen met levens-
middelen op de markten uit te stallen, verkeren vele van onze leden in
moeilijkheden, doordat zij verstoken zijn van hun inkomen.
Naar onze mening kunnen deze mensen die verplichtingen hebben,
zoals marktgelden stalling etc. niet aan deze verplichtingen voldoen.
Zou er een mogelijkheid bestaan, om gedurende dit verbod aan hen
die niet uitstallen het marktgeld niet te laten betalen?
Hopende U hiervoor Uw bemiddeling zou willen aanwenden.
Met hoogachting,
Namens "Mercurius"
w.g.M.Ortje 1e Secretaris,
w.g.J.Frank 2e Secretaris. Deze brief is een formeel verzoek van de Kooplieden- en Marktkramersbond "Mercurius" aan de Amsterdamse wethouder van Marktwezen. De kern van het schrijven is de financiële nood waarin marktkramers verkeren die geen levensmiddelen verkopen. Door een toen geldend verbod mochten alleen verkopers van primaire levensmiddelen hun stalletjes opzetten.
De bond wijst erop dat deze handelaren hun inkomsten volledig kwijt zijn, maar wel geconfronteerd blijven worden met vaste lasten zoals marktgelden en stallingskosten. Het verzoek is dan ook om deze ondernemers vrij te stellen van de betaling van marktgeld zolang het verbod van kracht is. De toon is beleefd doch dwingend, waarbij nadrukkelijk om de bemiddeling van de wethouder wordt gevraagd. De datum van de brief, 7 maart 1941, plaatst dit document midden in de Tweede Wereldoorlog, nog geen twee weken na de Februaristaking in Amsterdam. Tijdens de bezetting werden markten streng gereguleerd. Het verbod om andere zaken dan levensmiddelen te verkopen had waarschijnlijk te maken met de toenemende schaarste van goederen en de noodzaak om de distributie van voedsel te prioriteren.
Bovendien troffen beperkende maatregelen op de Amsterdamse markten vaak onevenredig veel Joodse handelaren, die een aanzienlijk deel van de marktpopulatie vormden. Hoewel deze specifieke brief spreekt over een algemeen verbod voor niet-levensmiddelen, vonden er in deze periode ook steeds meer uitsluitingsmaatregelen plaats tegen Joodse burgers. De ondertekenaar "J. Frank" draagt een achternaam die in Amsterdamse Joodse kringen veel voorkwam, wat de tragiek van de economische verstikking in die jaren onderstreept. Het document is een "afschrift", wat betekent dat het een kopie is voor het archief van de gemeente of de bond zelf. J. Frank Marktwezen
Samenvatting
Deze brief is een formeel verzoek van de Kooplieden- en Marktkramersbond "Mercurius" aan de Amsterdamse wethouder van Marktwezen. De kern van het schrijven is de financiële nood waarin marktkramers verkeren die geen levensmiddelen verkopen. Door een toen geldend verbod mochten alleen verkopers van primaire levensmiddelen hun stalletjes opzetten.
De bond wijst erop dat deze handelaren hun inkomsten volledig kwijt zijn, maar wel geconfronteerd blijven worden met vaste lasten zoals marktgelden en stallingskosten. Het verzoek is dan ook om deze ondernemers vrij te stellen van de betaling van marktgeld zolang het verbod van kracht is. De toon is beleefd doch dwingend, waarbij nadrukkelijk om de bemiddeling van de wethouder wordt gevraagd.
Historische Context
De datum van de brief, 7 maart 1941, plaatst dit document midden in de Tweede Wereldoorlog, nog geen twee weken na de Februaristaking in Amsterdam. Tijdens de bezetting werden markten streng gereguleerd. Het verbod om andere zaken dan levensmiddelen te verkopen had waarschijnlijk te maken met de toenemende schaarste van goederen en de noodzaak om de distributie van voedsel te prioriteren.
Bovendien troffen beperkende maatregelen op de Amsterdamse markten vaak onevenredig veel Joodse handelaren, die een aanzienlijk deel van de marktpopulatie vormden. Hoewel deze specifieke brief spreekt over een algemeen verbod voor niet-levensmiddelen, vonden er in deze periode ook steeds meer uitsluitingsmaatregelen plaats tegen Joodse burgers. De ondertekenaar "J. Frank" draagt een achternaam die in Amsterdamse Joodse kringen veel voorkwam, wat de tragiek van de economische verstikking in die jaren onderstreept. Het document is een "afschrift", wat betekent dat het een kopie is voor het archief van de gemeente of de bond zelf.