Ambtelijke brief/adviesnota (concept met correcties).
Origineel
Ambtelijke brief/adviesnota (concept met correcties). 14 maart 1941. Kwijtschelding markt- en standplaatsgeld.
A'dam, 14/3 1941
W. L. M.
[Stempel:] 20/12/217
[Stempel:] 17/3/41
Onder terugzending van het met den kantbrief van den heer Administrateur Uwer Afdeeling d.d. 8 Maart j.l. om advies ontvangen stuk no. 290 Z.H. 1941 heb ik de eer u te berichten, dat in de week van 2 tot 8 Maart j.l. den verkoop op den openbaren weg, w. o. begrepen de markten, van alle artikelen behalve levensmiddelen was verboden; als gevolg hiervan hebben alle marktkooplieden en standplaatshouders [doorstreept: met andere artikelen dan levensmiddelen hun plaatsen niet kunnen bezetten].
[In de marge ingevoegd:] terwijl de venters met deze artikelen niet hebben kunnen venten.
Het zou naar mijn meening billijk zijn, [doorstreept: de marktkooplieden en standplaatshouders] kwijtschelding van marktgeld c. q. standplaatsgeld te verleenen gedurende de periode, dat het hun verboden was hun plaatsen te bezetten.
[Ingevoegd:] Voor de venters behoeft dit niet te worden overwogen, daar deze het ventgeld uitsluitend per jaar (f. 4.- per boekjaar) kunnen betalen.
[In de marge links onderaan:] die het markt- c.q. standplaatsgeld per kalenderweek plegen te betalen.
Ik moge U in dit verband echter wijzen op mijn rapport van 22 Augustus 1940 no. 20/33/1 M waarin ik voorstelde kwijtschelding van marktgeld te verleenen aan marktkooplieden met textielproducten, wien het in de week van 5 tot 12 Augustus 1940 op grond van distributievoorschriften verboden was, hun plaatsen op de markten te bezetten. Uw Ambtsvoorganger deelde mij hierop met zijn brief van 10 September 1940 no. 800 L.M. 1940 mede, dat hij het principieel niet juist achtte om schade te vergoeden, die geleden werd door maatregelen van de Overheid. Hij nam het standpunt in, dat, nog afgezien van het [einde pagina] Dit document is een intern ambtelijk advies binnen de gemeente Amsterdam (waarschijnlijk de Marktwezen-afdeling). De kern van de zaak is of marktkooplieden die geen voedsel verkochten (levensmiddelen), hun staangeld terug moeten krijgen voor een week in maart 1941 waarin zij niet mochten werken vanwege een overheidsverbod.
De schrijver van het advies neigt naar "billijkheid" (rechtvaardigheid) voor de marktkooplieden, maar plaatst direct een belangrijke kanttekening: een eerdere, soortgelijke aanvraag uit augustus 1940 (betreffende textielhandelaren) werd door de toenmalige ambtsvoorganger afgewezen. De reden voor die afwijzing was een strikt principe: de overheid is niet verantwoordelijk voor het vergoeden van schade die voortvloeit uit algemene overheidsmaatregelen. Het document dateert uit maart 1941, de periode van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De schaarste nam toe, wat leidde tot strenge distributievoorschriften en verboden op de verkoop van niet-essentiële goederen (zoals textiel en luxeartikelen).
Interessant is de juridische strijd die hier zichtbaar wordt: enerzijds de lokale ambtenaar die oog heeft voor de economische nood van de kleine marktkoopman, en anderzijds de starre bureaucratische lijn dat de staat niet aansprakelijk is voor de gevolgen van haar eigen (vaak door de bezetter opgelegde) regels. De verwijzing naar de "Ambtsvoorganger" suggereert een wisseling van de wacht, mogelijk samenhangend met de herstructurering van het stadsbestuur onder toezicht van de bezetter.