Archiefdocument
Origineel
7 april 1941 [Stempel paars bovenaan]: No. 20/13/2 M. 1941
GEMEENTE AMSTERDAM
[Handgeschreven rechtsboven]: Markth. / [onleesbaar]
AFD. L.K.
No. 229 -1941-
BIJLAGEN
[Stempel datum]: AMSTERDAM, 7 April 1941.
[Handgeschreven over de datum, in groen/blauw]: [onleesbaar, mogelijk paraaf]
MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD NAUWKEURIG HET NUMMER VAN DIT SCHRIJVEN EN DE AFDEELING TE VERMELDEN.
Ik deel U hierbij mede U op gronden van billijkheid restitutie te verleenen van reeds betaald marktgeld, aangezien U thans slechts één vaste plaats op een algemeene dagmarkt kunt innemen.
Het te verrekenen bedrag zal U ten kantore van den Dienst van het Marktwezen, Jan van Galenstraat 14 worden opgegeven.
De Regeeringscommissaris voor Amsterdam,
(get.) V o û t e
de Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN
Voor eensluidend afschrift
DE SECRETARIS.
[Handgeschreven handtekening]: J. F. Franken
Aan
[Handgeschreven onderaan]: besluit komt nog / [paraaf]
[Onderaan links]: Model G. A. 5 / 25000-1-'40
--- Dit document is een officiële kennisgeving van de Gemeente Amsterdam aan een (niet nader genoemde) markthandelaar. De kern van de brief is dat de geadresseerde geld terugkrijgt (restitutie van marktgeld) op basis van "billijkheid". De reden hiervoor is een beperking in de bedrijfsvoering: de handelaar mag nog maar één vaste plaats op een algemene dagmarkt bezetten.
De toon is formeel en administratief. Opvallend is de verwijzing naar het kantoor van de Dienst van het Marktwezen aan de Jan van Galenstraat 14. Dit is de locatie van de Centrale Markthallen in Amsterdam, die in 1934 werden geopend.
Onderaan staat een handgeschreven notitie: "besluit komt nog", wat suggereert dat dit een afschrift is van een principebesluit, maar dat de definitieve beschikking met het exacte bedrag nog volgt.
--- Dit document stamt uit een cruciale periode in de geschiedenis van Amsterdam tijdens de Duitse bezetting.
- Politiek: De ondertekening door de "Regeeringscommissaris voor Amsterdam" is veelzeggend. Na de Februaristaking van 1941 ontsloeg de Duitse bezetter het Amsterdamse gemeentebestuur en de burgemeester. Edward Voûte werd in maart 1941 aangesteld als regeringscommissaris (feitelijk een zetbaas van de bezetter), waardoor de democratische controle volledig was verdwenen.
- Marktwezen en anti-Joodse maatregelen: Hoewel de brief spreekt over "billijkheid", valt de datum (april 1941) samen met de periode waarin de bezetter en het collaborerende stadsbestuur steeds meer beperkingen oplegden aan de handel, in het bijzonder voor Joodse marktlui. Joden werden stelselmatig geweerd van algemene markten of beperkt in hun standplaatsen. Of dit specifieke document een Joodse koopman betreft is niet direct zichtbaar, maar de restrictie tot slechts "één vaste plaats" past in het beleid van de bezetter om de economische bewegingsvrijheid van bepaalde groepen in te perken.
- Bureaucratie: Het document toont aan dat de gemeentelijke bureaucratie, ondanks de oorlogsomstandigheden en de politieke omwenteling op het stadhuis, op een zeer formele en procedurele wijze bleef doorwerken.