Ambtsbrief / Correspondentie.
Origineel
Ambtsbrief / Correspondentie. 31 december 1941. De Directeur (vermoedelijk van een Amsterdamse gemeentelijke dienst). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (Amsterdam). [handgeschreven rechtsboven: onleesbaar, mogelijk "M. Sicherlij"]
VD/HG.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
18/15/19 M.
31 December 1941.
Vragen van Joodschenwinkelier.
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat Mevr. Polak Hakker winkelhoudster van de fa. N. Hakker, P.C. Hooftstraat 67 en Beethovenstraat 58 mij tijdens een bezoek te mijnen kantore heeft medegedeeld dat voornoemde firma mondeling is aangezegd, dat ze moet liquideeren. De firma mag thans niet meer inkoopen, doch uitsluitend haar voorraden uitverkoopen.
Mevr. Polak stelt thans de vraag of zij in het bezit van een ventvergunning kan worden gesteld en zoo neen of zij dan een plaats mag innemen op een Joodsche markt. Zij vraagt voorts of de mogelijkheid bestaat om haar vaste klanten aan huis te bedienen (dat wil dus zeggen: niet vanaf den winkel, want deze wordt gesloten).
In het algemeen komen haar vragen dus hierop neer, of het geoorloofd is, dat een Jood, wiens winkelzaak is geliquideerd, in anderen vorm, bijvoorbeeld als marktkoopman of als bediener van vaste klanten aan huis, als verkooper mag optreden.
Ik verzoek U beleefd te willen bevorderen, dat deze vraag ter beoordeeling wordt voorgelegd aan de betreffende Duitsche instantie.
De Directeur, Dit document is een treffend voorbeeld van de bureaucratische afhandeling van de Jodenvervolging in bezet Nederland. De kern van de brief is een verzoek om verduidelijking over de overlevingsmogelijkheden van een Joodse onderneemster wiens winkels (gevestigd in de chique P.C. Hooftstraat en de Beethovenstraat) door de bezetter worden geliquideerd.
De toon is strikt zakelijk en ambtelijk. De directeur van de betreffende dienst velt zelf geen oordeel, maar fungeert als doorgeefluik. Hij erkent dat de winkels moeten sluiten en dat inkopen doen al verboden is. Mevrouw Polak-Hakker probeert via deze weg te achterhalen of zij op een andere manier – als ambulant handelaar (venter), op een Joodse markt of via thuisbezorging – nog in haar levensonderhoud mag voorzien.
Het feit dat de directeur voor de beantwoording van deze vraag naar de "betreffende Duitsche instantie" verwijst, onderstreept hoe de Nederlandse ambtenarij op dat moment volledig ondergeschikt was aan de Duitse verordeningen wat betreft de Joodse bevolking. Eind 1941 was de "arisering" van de Nederlandse economie in volle gang. Via diverse verordeningen (zoals VO 189/1940 en VO 48/1941) dwong de bezetter Joodse ondernemers hun bedrijven te registreren, waarna ze ofwel onder beheer van een "Verwalter" (bewindvoerder) werden gesteld, ofwel werden geliquideerd.
De P.C. Hooftstraat en de Beethovenstraat waren (en zijn) straten met een hoge concentratie aan kwaliteitswinkels; in de Beethovenstraat woonden bovendien veel (Duits-)Joodse vluchtelingen. Mevrouw Polak-Hakker was een van de vele ondernemers die hun levenswerk verloren.
De genoemde "Joodsche markt" verwijst naar de segregatie die de nazi's invoerden: Joden mochten op den duur alleen nog kopen bij Joodse winkeliers of op speciaal daarvoor aangewezen markten. Dit document toont de wanhopige pogingen van individuen om binnen het steeds nauwer wordende net van beperkingen een legale manier te vinden om te overleven. De uitkomst van dit specifieke verzoek is uit deze brief niet op te maken, maar de historische context suggereert dat de mogelijkheden voor Joden om economisch actief te blijven in 1942 nagenoeg volledig werden afgesloten.