Ambtelijke notitie / intern memo met handgeschreven kanttekeningen en stempels.
Origineel
Ambtelijke notitie / intern memo met handgeschreven kanttekeningen en stempels. [Stempel linksboven]
BIJBLAD VAN:
M. No. 20/39/1 1941
DOORGEZONDEN: 18/11-'41.
[Tekst rechtsboven]
Aangezien J. Bliss niet
als Jood wordt beschouwd,
behoudt hij m.i. zijn rechten
op de plaats ~~in de Linnaeusstraat~~
~~Dapperstraat~~ [doorgestreept met rode pen]
Genoteerd op stamkaart.
[Handtekening] Penz [geschreven over doorgestreept: van Noorden] 13 12/11 '41
[Tekst midden links]
Bliss moet m.i. bericht
gezonden worden, dat hij
het recht op zijn plaats
i. d. Dapperstraat blijft
behouden. [Paraaf] 26/11 41
[Tekst midden]
Ter kennisneming
12-11-41
de Heer [Paraaf] Insp.
[Tekst linksonder]
26-11-41
de Heer [Paraaf]
opbg 27/11 '41
[Tekst rechtsonder]
Heeft een plaats op de
markt, is niet ingeschreven
op roll. lijst Al. Bij Marktwezen
bekend als vaste plaatshouder?
m/v Dapperstraat! 10/11 -41 [Paraaf] Het document is een administratief verslag over de status van J. Bliss, een marktkraamhouder. In de context van de Duitse bezetting werd onderzocht of hij volgens de nationaalsocialistische rassenwetten (Verordening 189/1940) als Jood kon worden aangemerkt.
De kern van de besluitvorming is: "Aangezien J. Bliss niet als Jood wordt beschouwd, behoudt hij m.i. zijn rechten". Dit had direct gevolg voor zijn broodwinning; hij mocht zijn standplaats in de Dapperstraat behouden. Het document toont een bureaucratisch proces waarbij verschillende ambtenaren (waaronder een inspecteur en iemand van de administratie van het Marktwezen) gegevens controleren op 'stamkaarten' en 'rollijsten'. Opvallend is de correctie van de straatnaam en de uiteindelijke archivering ("opbg" voor opgeborgen) op 27 november 1941. Tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland was de definitie van wie 'Jood' was en wie niet, bepalend voor iemands rechten en veiligheid. Vanaf 1941 werden Joden stapsgewijs geweerd uit het openbare leven en van de reguliere markten. Zij mochten alleen nog handelen op speciaal aangewezen 'Jodenmarkten'.
Dit document illustreert hoe de Amsterdamse bureaucratie nauwgezet bijhield welke marktkooplieden hun plek mochten behouden op basis van hun raciale status. Voor J. Bliss betekende deze ambtelijke vaststelling dat hij niet tot de vervolgde groep behoorde en dus zijn economische positie in de Dapperstraat (een bekende markt in Amsterdam-Oost) voorlopig veiliggesteld zag. Het stuk laat de kille, administratieve kant van de uitsluitingspolitiek zien. J. Bliss M. No Marktwezen
Samenvatting
Het document is een administratief verslag over de status van J. Bliss, een marktkraamhouder. In de context van de Duitse bezetting werd onderzocht of hij volgens de nationaalsocialistische rassenwetten (Verordening 189/1940) als Jood kon worden aangemerkt.
De kern van de besluitvorming is: "Aangezien J. Bliss niet als Jood wordt beschouwd, behoudt hij m.i. zijn rechten". Dit had direct gevolg voor zijn broodwinning; hij mocht zijn standplaats in de Dapperstraat behouden. Het document toont een bureaucratisch proces waarbij verschillende ambtenaren (waaronder een inspecteur en iemand van de administratie van het Marktwezen) gegevens controleren op 'stamkaarten' en 'rollijsten'. Opvallend is de correctie van de straatnaam en de uiteindelijke archivering ("opbg" voor opgeborgen) op 27 november 1941.
Historische Context
Tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland was de definitie van wie 'Jood' was en wie niet, bepalend voor iemands rechten en veiligheid. Vanaf 1941 werden Joden stapsgewijs geweerd uit het openbare leven en van de reguliere markten. Zij mochten alleen nog handelen op speciaal aangewezen 'Jodenmarkten'.
Dit document illustreert hoe de Amsterdamse bureaucratie nauwgezet bijhield welke marktkooplieden hun plek mochten behouden op basis van hun raciale status. Voor J. Bliss betekende deze ambtelijke vaststelling dat hij niet tot de vervolgde groep behoorde en dus zijn economische positie in de Dapperstraat (een bekende markt in Amsterdam-Oost) voorlopig veiliggesteld zag. Het stuk laat de kille, administratieve kant van de uitsluitingspolitiek zien.