Getypte ambtelijke brief (doorslag).
Origineel
Getypte ambtelijke brief (doorslag). 3 januari 1941. De Directeur (van een niet nader gespecificeerde gemeentelijke afdeling, mogelijk Markten of Havenwezen). Den Heer Directeur der Publieke Werken, Raadhuis, Amsterdam (Alhier). [Handgeschreven:] Extra
[Typewerk rechtsboven:] HG.
den Heer Directeur der
Publieke Werken,
Raadhuis,
A l h i e r .
21/1/1 M. [links] 3 Januari 1941. [rechts]
Hiermede heb ik de eer U beleefd te verzoeken op de brand-
stoffenmarkt aan den Baarsjesweg een meerpaal te doen herstellen
voor perceel no.129 en een nieuwe te doen plaatsen voor perceel no.
127.
De Directeur, Dit document is een typisch voorbeeld van interne ambtelijke correspondentie binnen de gemeente Amsterdam tijdens de vroege oorlogsjaren. De toon is formeel en beleefd ("heb ik de eer U beleefd te verzoeken").
De brief betreft een praktisch verzoek voor onderhoud aan de infrastructuur: het herstellen van een bestaande meerpaal en het plaatsen van een nieuwe bij de brandstoffenmarkt aan de Baarsjesweg. Het feit dat er specifieke perceelnummers (129 en 127) worden genoemd, duidt op een strakke ruimtelijke ordening van de marktplaatsen langs het water.
De aanduiding "Alhier" onder de adressering aan het Raadhuis bevestigt dat zowel de afzender als de ontvanger zich in dezelfde stad bevinden. De afkorting "HG." rechtsboven zou kunnen staan voor "Hooggeachte" of een administratieve classificatie. De datum, 3 januari 1941, plaatst dit document in de eerste winter van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de inhoud strikt zakelijk en civiel is, was de brandstoffenvoorziening in deze periode van cruciaal belang. Vanwege de oorlogsomstandigheden en de naderende schaarste was de distributie van brandstoffen (zoals steenkool en hout) via centrale markten essentieel voor de verwarming van de stad.
De Baarsjesweg in Amsterdam-West ligt langs de Kostverlorenvaart, een belangrijke vaarroute. De "brandstoffenmarkt" daar was een plek waar schepen aanlegden om hun lading te lossen voor verdere distributie in de wijk. Meerpalen waren hierbij onmisbaar voor het veilig afmeren van de dekschuiten en aken.
Dit schrijven toont aan dat, ondanks de bezetting, de reguliere gemeentelijke processen en het onderhoud aan de stadsinfrastructuur in het begin van 1941 nog grotendeels op de gebruikelijke wijze werden voortgezet door de Dienst der Publieke Werken.
Samenvatting
Dit document is een typisch voorbeeld van interne ambtelijke correspondentie binnen de gemeente Amsterdam tijdens de vroege oorlogsjaren. De toon is formeel en beleefd ("heb ik de eer U beleefd te verzoeken").
De brief betreft een praktisch verzoek voor onderhoud aan de infrastructuur: het herstellen van een bestaande meerpaal en het plaatsen van een nieuwe bij de brandstoffenmarkt aan de Baarsjesweg. Het feit dat er specifieke perceelnummers (129 en 127) worden genoemd, duidt op een strakke ruimtelijke ordening van de marktplaatsen langs het water.
De aanduiding "Alhier" onder de adressering aan het Raadhuis bevestigt dat zowel de afzender als de ontvanger zich in dezelfde stad bevinden. De afkorting "HG." rechtsboven zou kunnen staan voor "Hooggeachte" of een administratieve classificatie.
Historische Context
De datum, 3 januari 1941, plaatst dit document in de eerste winter van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de inhoud strikt zakelijk en civiel is, was de brandstoffenvoorziening in deze periode van cruciaal belang. Vanwege de oorlogsomstandigheden en de naderende schaarste was de distributie van brandstoffen (zoals steenkool en hout) via centrale markten essentieel voor de verwarming van de stad.
De Baarsjesweg in Amsterdam-West ligt langs de Kostverlorenvaart, een belangrijke vaarroute. De "brandstoffenmarkt" daar was een plek waar schepen aanlegden om hun lading te lossen voor verdere distributie in de wijk. Meerpalen waren hierbij onmisbaar voor het veilig afmeren van de dekschuiten en aken.
Dit schrijven toont aan dat, ondanks de bezetting, de reguliere gemeentelijke processen en het onderhoud aan de stadsinfrastructuur in het begin van 1941 nog grotendeels op de gebruikelijke wijze werden voortgezet door de Dienst der Publieke Werken.