Ambtelijke brief/advies.
Origineel
Ambtelijke brief/advies. 27 februari 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Markthallen of het Marktwezen). Handtekening/naam rechtsboven: "M. Müller". Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, alhier (waarschijnlijk Amsterdam). D/HG.
21/7/2 H.
27 Februari 1941.
Restitutie en kwijtschelding
marktgeld brandstoffenmarkten
aan A. Mohr.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r.
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat A.Mohr, Noorderkerkstraat 16 I, met schuit no.4422 groot 17 ton, voor het kalenderjaar 1941 ligplaats heeft genomen aan de brandstoffenmarkten hier ter stede. Van het terzake verschuldigde marktgeld ten bedrage van ƒ 17,- heeft Mohr voornoemd een kwartaalstermijn ad ƒ 4,25 betaald. Hij heeft het vaartuig met ingang van 20 Februari jl. verkocht naar Alkmaar, zoodat het op dezen datum de markt heeft verlaten; hij verzoekt hem restitutie van het teveel betaalde en kwijtschelding van het nog verschuldigde marktgeld te verleenen. Inwilliging van dit verzoek lijkt mij billijk. Indien Mohr het vaartuig volgens het tarief per kalendermaand en per kalenderweek had doen liggen, zou hij tot 20 Februari een bedrag van 1 x 17 x 10 cent + 3 x 17 x 2 ½ cent = ƒ 2,98 schuldig zijn geweest; hij betaalde ƒ 4,25, zoodat hij dus voor ƒ 1,27 restitutie in aanmerking kan komen. De overige drie kwartaalstermijnen ad 3 x ƒ 4,25 = ƒ 12,75 kunnen hem worden kwijtgescholden.
Ik geef U daarom beleefd in overweging wel te willen bevorderen, dat hem door Burgemeester en Wethouders tot een bedrag van ƒ 1,27 restitutie van betaald marktgeld wordt verleend, zulks op grond van het bepaalde in artikel 36 van de Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden en hem tot een bedrag van ƒ 12,75 kwijtschelding van marktgeld wordt verleend, zulks op grond van het bepaalde in artikel 10 van voornoemde Verordening.
De Directeur, In deze brief adviseert de directeur van een gemeentelijke dienst aan de Wethouder voor de Levensmiddelen om akkoord te gaan met een financieel verzoek van de heer A. Mohr.
- De casus: A. Mohr, wonende aan de Noorderkerkstraat 16 I, had voor het jaar 1941 een ligplaats gehuurd op de brandstoffenmarkt voor zijn schuit (17 ton). Hij had hiervoor het eerste kwartaal van ƒ 4,25 al betaald.
- De wijziging: Op 20 februari 1941 verkocht Mohr zijn schuit aan iemand in Alkmaar, waardoor hij de ligplaats niet meer nodig had.
- Het verzoek: Mohr vraagt om teruggave (restitutie) van het teveel betaalde geld over het eerste kwartaal en om kwijtschelding voor de resterende drie kwartalen van het jaar.
- De berekening: De directeur rekent uit dat Mohr over de periode dat hij de ligplaats wél gebruikte (tot 20 februari) volgens het maand- en weektarief ƒ 2,98 verschuldigd zou zijn. Omdat hij ƒ 4,25 heeft betaald, heeft hij recht op ƒ 1,27 terug.
- Advies: Het advies is positief en wordt juridisch onderbouwd met verwijzingen naar de artikelen 10 en 36 van de geldende marktverordening. Het document dateert van februari 1941, negen maanden na de Duitse inval in Nederland. Hoewel het een alledaagse administratieve kwestie betreft, weerspiegelt het de strikte bureaucratie en de nauwgezette financiële verantwoording van die tijd, zelfs voor kleine bedragen.
De vermelding van de Noorderkerkstraat en de term "hier ter stede" duiden vrijwel zeker op Amsterdam. De brandstoffenmarkten waren in die tijd van vitaal belang voor de stad, zeker tijdens de oorlogsjaren toen schaarste aan brandstof (zoals steenkool en hout) een steeds groter probleem werd. De schuit werd waarschijnlijk gebruikt voor het vervoer van deze brandstoffen. De functie van Wethouder voor de Levensmiddelen was tijdens de bezetting een cruciale post vanwege de distributie en voedselvoorziening. De handtekening rechtsboven is van M. Müller, destijds een bekende functionaris binnen het Amsterdamse marktwezen.