Ambtsbrief (getypt met handgeschreven kanttekeningen).
Origineel
Ambtsbrief (getypt met handgeschreven kanttekeningen). 12 februari 1943. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). [Handgeschreven, linksboven:]
Verzonden 13/2
[Handgeschreven, midden boven:]
Hmuller (onzeker)
[Getypt, rechtsboven:]
HB.
[Geadresseerde:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
[Referentie en datum:]
85/6/1 M. 12 Februari 1943.
[Onderwerp:]
Intrekking kramen-
vergunning ten name van
S. Abram.
[Inhoud:]
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat S. Abram,
Joden Houttuinen 42 a, alhier, wien op 29 November 1938 on-
der no. 811 L.M. '38 vergunning is verleend voor het plaatsen
van kramen op de markt Waterlooplein, zich, volgens ontvan-
gen mededeeling, in Duitsland bevindt.
Op grond hiervan verzoek ik U beleefd wel te willen be-
vorderen, dat bij Besluit van den Burgemeester de op hem be-
trekking hebbende beschikking wordt ingetrokken.
De Directeur, Dit document is een kil voorbeeld van de bureaucratische medewerking van het Amsterdamse stadsbestuur aan de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kern van de brief is het intrekken van de marktvergunning van S. Abram, een Joodse koopman die op het Waterlooplein werkte.
De gebruikte term "zich in Duitsland bevindt" is een eufemisme voor deportatie. In februari 1943 waren de grootschalige deportaties van Joodse Amsterdammers naar concentratie- en vernietigingskampen (via kamp Westerbork) in volle gang. De gemeente gebruikte de afwezigheid van de gedeporteerde burgers als juridische grond om hun economische rechten en vergunningen officieel te beëindigen.
Opvallend is de formele, beleefde toon ("heb ik de eer U te berichten", "verzoek ik U beleefd") die schril afsteekt tegen de tragische realiteit van de persoon om wie het gaat. * S. Abram: De genoemde persoon woonde op de Joden Houttuinen 42a. Deze straat lag in het hart van de Joodse buurt van Amsterdam (nabij het huidige Mr. Visserplein). Het Waterlooplein was destijds een zeer belangrijke markt waar veel Joodse handelaren hun brood verdienden.
* De Jodenvervolging: Vanaf 1941 voerden de Duitse bezetters steeds strengere regels in om Joden uit het openbare en economische leven te weren. In 1942 begonnen de deportaties. Administratieve processen zoals deze zorgden ervoor dat de bezittingen en rechten van Joden systematisch werden geconfisqueerd of vernietigd.
* Bestuur: De "Wethouder voor de Levensmiddelen" en de "Burgemeester" (destijds de pro-Duitse Edward Voûte) voerden dit beleid uit. Dit type documenten vormt in archieven vaak de enige overgebleven papieren getuige van het moment waarop een individu definitief uit de Nederlandse samenleving werd geschrapt.