Handgeschreven brief (officiële correspondentie).
Origineel
Handgeschreven brief (officiële correspondentie). 9 november 1941 (afgaande op het stempel "M. 1941 9/11"). De brief refereert aan een schrijven van 3 november 1941. J. Blits, Wagenaarstraat 28 IV, Amsterdam. Datum postmerk.
No 20/39/1 M. 1941 9/11
Aan
Den Weled. Heer
Directeur v.h.
Marktwezen.
J. v. Galenstr.
M.
Ondergeteekende J. Blits
Wagenaarstr. 28 IV. heeft de eer, in
antwoord op uw geëerd schrijven, van
3 November l.l., het volgende, even
uw aandacht te willen schenken.
Allereerst.
Is de wet, dat Joden, niet meer op de
openbare markten, één plaats mogen
innemen, ook voor mij, van
toepassing.
Ik vraag U dat, naar aanleiding,
| ik geen J of mijn indentiteits-kaart
heb, daar gezien ik twee Joodsche
grootouders heb.
Mocht dat onverhoopt geen
verschil maken, dan vraag ik U beleefd,
wanneer ik weer, op de markt ga staan,
mijn ancienniteit te mogen behouden. In deze brief wendt de heer (of mevrouw) J. Blits zich tot de directeur van het Amsterdamsche Marktwezen met een prangende juridische en existentiële vraag. De kern van de brief is de onzekerheid over de eigen status onder de anti-Joodse verordeningen van de Duitse bezetter.
Blits stelt de vraag of de wet die Joden verbiedt op openbare markten te staan ook op hem/haar van toepassing is. De aanleiding voor deze twijfel is een administratieve nuance: Blits heeft twee Joodse grootouders (wat hem/haar volgens de rassenwetten als 'half-Joods' of Mischling zou aanmerken), maar heeft geen 'J' in het persoonsbewijs gestempeld gekregen.
De brief eindigt met een wanhopig verzoek om behoud van 'ancienniteit' (dienstjaren/rechten). Mocht het marktverbod inderdaad gelden, dan hoopt de schrijver dat de opgebouwde rechten voor de toekomst behouden blijven, in de veronderstelling dat de situatie tijdelijk is. Dit document stamt uit november 1941, een periode waarin de uitsluiting van Joden uit de Nederlandse samenleving door de nazi-bezetter in een stroomversnelling kwam.
- Marktverbod: In augustus 1941 werd Verordening 154/1941 van kracht, die het Joden verbood om op openbare markten handel te drijven. Dit was een zware slag voor de vele Joodse Amsterdammers die werkzaam waren in de markthandel.
- De 'J' op het persoonsbewijs: Vanaf het voorjaar van 1941 moesten Joden zich laten registreren. Op basis van de afkomst van de grootouders werd bepaald of men 'vol-Joods', 'half-Joods' of 'kwart-Joods' was. Alleen bij drie of vier Joodse grootouders kreeg men standaard een 'J' in het persoonsbewijs. Mensen met twee Joodse grootouders vielen vaak in een grijs gebied, afhankelijk van hun geloofsovertuiging of die van hun partner.
- Het Marktwezen: De Jan van Galenstraat was de locatie van de Centrale Markthallen in Amsterdam, van waaruit de marktmeesters de handel in de stad streng reguleerden en de verordeningen van de bezetter moesten uitvoeren.
De brief illustreert de verschrikkelijke bureaucratische strijd die individuen moesten voeren om hun broodwinning te behouden terwijl de mazen van de nazi-wetgeving zich steeds strakker om hen heen sloten. J. Blits M. Marktwezen