Archiefdocument
Origineel
[Rechtsboven handgeschreven paraaf/naam: m. v. Hellen]
HG.
21/20/2 H.
7 October 1941.
Kwijtschelding marktgeld
brandstoffenmarkten aan
L.de Bock
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat L.de
Bock, Nieuwe Keizersgracht t/o 96, met het vaartuig genaamd
"De Koophandel", groot 119 ton, voor het kalenderjaar 1941
ligplaats heeft genomen aan de brandstoffenmarkten hier ter
stede. Van het terzake verschuldigde marktgeld ten bedrage
van ƒ 119,- heeft De Bock voornoemd een bedrag ad ƒ 89,25 be-
taald. Hij heeft het vaartuig per 30 September jl. verkocht,
zoodat het op dezen datum de markt heeft verlaten; hij ver-
zoekt hem kwijtschelding van het nog verschuldigde marktgeld
te verleenen. Inwilliging van dit verzoek lijkt mij billijk.
Indien De Bock het vaartuig volgens het tarief per kalender-
maand had doen liggen, zou hij tot 1 October 1941 een bedrag
van 9 x 119 x 10 cent = ƒ 107,10 schuldig zijn geweest, zoo-
dat hem kwijtschelding kan worden verleend tot een bedrag
van ƒ 11,90 (ƒ 119,- - ƒ 107,10).
Ik geef U daarom beleefd in overweging wel te wil-
len bevorderen, dat hem door den heer Burgemeester tot een
bedrag van ƒ 11,90 kwijtschelding van marktgeld wordt ver-
leend, zulks op grond van het bepaalde in artikel 10 van de
Verordening op de Heffing van markt-, standplaats en vent-
gelden.
De Directeur, Deze brief bevat een formeel advies van een gemeentelijk directeur aan de wethouder voor Levensmiddelen. De kern van de zaak is een verzoek om gedeeltelijke kwijtschelding van marktgeld door L. de Bock, eigenaar van het schip "De Koophandel". Omdat De Bock zijn schip op 30 september 1941 verkocht, hoeft hij volgens de directeur niet voor het volledige kalenderjaar te betalen. Er wordt een nauwkeurige berekening gemaakt: op basis van de verstreken maanden (januari t/m september) zou hij ƒ 107,10 verschuldigd zijn. De directeur adviseert om het resterende bedrag van ƒ 11,90 kwijt te schelden conform de geldende verordeningen. Het document stamt uit oktober 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Ondanks de oorlog gingen reguliere administratieve processen binnen de gemeente Amsterdam gewoon door. De brandstoffenmarkt was in deze periode van cruciaal belang; door de oorlogsschaarste was de handel in kolen, turf en hout streng gereguleerd. De brief toont aan hoe gedetailleerd de bureaucratie zelfs kleine financiële correcties afhandelde. De term "Alhier" bij de adressering bevestigt dat het een intern schrijven betreft binnen het Amsterdamse stadsbestuur (gezien de referentie aan de Nieuwe Keizersgracht). L. de Bock Gemeente Amsterdam Marktwezen
Samenvatting
Deze brief bevat een formeel advies van een gemeentelijk directeur aan de wethouder voor Levensmiddelen. De kern van de zaak is een verzoek om gedeeltelijke kwijtschelding van marktgeld door L. de Bock, eigenaar van het schip "De Koophandel". Omdat De Bock zijn schip op 30 september 1941 verkocht, hoeft hij volgens de directeur niet voor het volledige kalenderjaar te betalen. Er wordt een nauwkeurige berekening gemaakt: op basis van de verstreken maanden (januari t/m september) zou hij ƒ 107,10 verschuldigd zijn. De directeur adviseert om het resterende bedrag van ƒ 11,90 kwijt te schelden conform de geldende verordeningen.
Historische Context
Het document stamt uit oktober 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Ondanks de oorlog gingen reguliere administratieve processen binnen de gemeente Amsterdam gewoon door. De brandstoffenmarkt was in deze periode van cruciaal belang; door de oorlogsschaarste was de handel in kolen, turf en hout streng gereguleerd. De brief toont aan hoe gedetailleerd de bureaucratie zelfs kleine financiële correcties afhandelde. De term "Alhier" bij de adressering bevestigt dat het een intern schrijven betreft binnen het Amsterdamse stadsbestuur (gezien de referentie aan de Nieuwe Keizersgracht).