Brief / Verzoekschrift.
Origineel
Brief / Verzoekschrift. Februari 1943 (3 februari en 16 februari genoemd in stempels/notities). Mej. E.P. van Re, Keizerstraat 7 I, Amsterdam (C). Den Inspecteur van het Marktwezen, Amsterdam. No. 85/8/ M. 1943 16/2 [stempel]
573
~~Inschrijven~~ [doorgehaald]
3/2 '43
Aan den Inspecteur van het Marktwezen
Mijnheer
Ondergeteekende verzoekt u beleefd om haar in deze te willen helpen. Ik heb een stal op de Nieuwmarkt van Adriaanse, hedend morgen om circa kwart over negen kom ik vragen of hij de stal wou zetten, ik krijg ten antwoord met een kwartier staat hij, ik kom om circa kwart over tienen en mijn stal stond er nog niet, met deze maak ik een pretje en zeg je bedoelde zeker een stijf kwartiertje en krijg een serie vloeken naar mijn hoofd geslingerd omdat ik hem van antwoord diende was ik niet op mijn mondje gevallen ik heb hem gezegd hij had nog een familie die kon het beter hebben als ik nu al wil ik hem f 5 per dag betalen heeft hij gezegd dat hij mij geen stal meer gaf, dus hoop ik dat u mij wil helpen. Bij voorbaat mijn dank
Hoogachtend
Mej. E.P. van Re
Keizerstraat 7 I
Amsterdam (C)
[Notities in de marge en onderaan:]
24/2 '43
bp.
jhb.
p. Rem
advies 3-2-'43
afstuur De brief is een klacht van een marktvrouw, Mejuffrouw E.P. van Re, gericht aan de Inspecteur van het Marktwezen in Amsterdam. De kern van het conflict is een zakelijk geschil met een zekere Adriaanse, die verantwoordelijk was voor het opzetten van haar marktkraam (stal) op de Nieuwmarkt.
De schrijfster beklaagt zich over het feit dat haar kraam niet op de afgesproken tijd klaarstond. Wanneer zij hierover een sarcastische opmerking maakt ("een stijf kwartiertje"), escaleert de situatie. De stalhouder reageert met vloeken en weigert haar voortaan nog een stal te verhuren, zelfs nadat zij aanbiedt meer te betalen (5 gulden per dag). De toon van de brief is enerzijds beleefd richting de autoriteit, maar getuigt ook van een zekere gevatheid; de schrijfster geeft zelf aan dat zij "niet op haar mondje is gevallen".
Opvallend is de opmerking over zijn familie die het "beter kon hebben als ik nu", wat mogelijk wijst op de erbarmelijke of gespannen omstandigheden waarin men leefde. Dit document stamt uit februari 1943, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De Nieuwmarkt in Amsterdam was van oudsher een belangrijke marktplaats, gelegen aan de rand van de Jodenbuurt. In 1943 was de deportatie van de Joodse bevolking in Amsterdam in volle gang, wat de dynamiek en de bezetting van de markt ingrijpend veranderde.
De brief geeft een inkijkje in de dagelijkse beslommeringen en de bureaucratie van het Amsterdamse Marktwezen in oorlogstijd. Ondanks de bezetting bleven de reguliere gemeentelijke diensten en klachtenprocedures functioneren. De diverse stempels en aantekeningen van ambtenaren (zoals "advies 3-2-'43") tonen aan dat de klacht serieus in behandeling is genomen en door verschillende handen is gegaan voor administratieve verwerking. E.P. van Re Marktwezen