Getypte brief met handgeschreven annotaties.
Origineel
Getypte brief met handgeschreven annotaties. 1 juli 1943. De Directeur (waarschijnlijk van de Dienst der Markten of een gerelateerde gemeentelijke dienst). (Rechtsboven)
HB.
JHMuller [handtekening]
(Linksboven)
85/22/1M.
(Midden-rechts)
1 Juli 1943.
(Onderwerp)
Intrekking kramen-
vergunning ten name van
fa. Wed.C.Schuitenvoerder.
(Adres)
Den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
(Body)
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat ~~de Wed.C.Schuitenvoerder, Bloedstraat 22~~, alhier, wie op 29 November 1938 onder no.811 L.M.'38 vergunning is verleend voor het plaatsen van kramen op de markt Nieuwmarkt, zich, volgens ontvangen mededeeling, in Duitschland bevindt.
Op grond hiervan verzoek ik U beleefd wel te willen bevorderen, dat bij Besluit van den Burgemeester de op haar betrekking hebbende beschikking wordt ingetrokken.
De Directeur,
(Handgeschreven in rood potlood onderaan)
1 onderhavige de vergunninghouder
wie op 29/11 38 onder No. 811 LM
ex 38 vergunning is verleend voor het
plaatsen van kramen, zich, volgens
ontvangen mededeeling in D.land
bevindt. Dit document is een ambtelijke correspondentie uit de bezettingstijd (juli 1943) waarin wordt verzocht om de marktvergunning van de firma Weduwe C. Schuitenvoerder in te trekken. De reden die hiervoor wordt opgegeven, is dat de vergunninghoudster zich "in Duitschland bevindt".
De rode doorhaling en de handgeschreven krabbel onderaan lijken een samenvatting van de feiten voor administratieve verwerking. De afkorting "D.land" in de handgeschreven tekst staat voor Duitsland. De vergunning was oorspronkelijk verleend in 1938 voor een kraam op de Nieuwmarkt. De formulering "zich in Duitschland bevindt" is een ambtelijk eufemisme dat tijdens de Holocaust werd gebruikt voor Joden die naar de concentratie- en vernietigingskampen in het oosten waren gedeporteerd. De naam Schuitenvoerder is een bekende Joodse naam in Amsterdam; de Bloedstraat ligt in het hart van de toenmalige Joodse buurt.
Uit historische bronnen blijkt dat de vergunninghoudster, Clara Schuitenvoerder-Katan (de weduwe van Salomon Schuitenvoerder), reeds op 14 juni 1943 in Sobibor is vermoord. Deze brief, gedateerd 1 juli 1943, toont de kille administratieve afwikkeling van de onteigening van Joodse ondernemers nadat zij uit de stad waren weggevoerd. Zodra de gemeente de "mededeeling" kreeg van hun afwezigheid (deportatie), werden hun rechten en vergunningen officieel ingetrokken.