Afschrift van een officieel besluit van de Burgemeester van Amsterdam.
Origineel
Afschrift van een officieel besluit van de Burgemeester van Amsterdam. 29 juli 1943. No. 85/22/2 M. 1943 [handgeschreven: 2/8]
Afschrift
No. 503 L. M. 194 3.
[Afbeelding: Gemeentewapen van Amsterdam]
DE BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM,
Gelet op de beschikking van Burgemeester en Wethouders van 29 November 1938, waarbij aan de Wed.C.Schuitenvoerder, wonende Bloedstraat 22 alhier tot wederopzeggens toe werd toegestaan op een anderen dan voor de markt bestemden tijd kramen op te zetten of te hebben op de markt Nieuwmarkt;
Mede gelet op het advies van den Directeur van het Marktwezen, d.d. 1 Juli 1943, No.85/22/1 M;
Heeft goedgevonden voormelde beschikking hierbij in te trekken.
VM
Amsterdam, 29 Juli 1943.
De Burgemeester voornoemd,
(get.) Voûte
de Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN
[Rechtsonder handgeschreven in potlood/inkt:]
Genoteerd.
opbergen.
AS.
13/8 '43.
[Linksonder:]
K 350 Het document is een formeel administratief besluit waarin een eerder verleende vergunning uit 1938 eenzijdig wordt ingetrokken. De weduwe C. Schuitenvoerder had het recht om buiten de reguliere markttijden kramen te exploiteren op de Nieuwmarkt. De intrekking vindt plaats op basis van een advies van de Directeur van het Marktwezen.
De opmaak is typisch voor die tijd: een officieel afschrift met het stadswapen, waarbij de namen van de ondertekenaars met paarse stempels zijn gezet om aan te geven dat het origineel door hen getekend is. De handgeschreven notitie rechtsonder toont aan dat het document op 13 augustus 1943 administratief is verwerkt en gearchiveerd. Dit document is opgesteld tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Edward Voûte was de door de bezetter aangestelde regeringscommissaris/burgemeester van Amsterdam.
De historische context van dit specifieke besluit is zeer beladen. De achternaam 'Schuitenvoerder' is een veelvoorkomende Joodse naam in Amsterdam en de Bloedstraat ligt in het hart van de oude Joodse buurt bij de Nieuwmarkt. In juli 1943 was de Jodenvervolging in Amsterdam in een terminale fase; de meeste Joodse Amsterdammers waren op dat moment al weggevoerd naar de concentratie- en vernietigingskampen. De intrekking van dergelijke vergunningen voor Joodse ondernemers en marktkooplieden maakte deel uit van de 'arisering' en de totale uitsluiting van Joden uit het economische leven. Dit document is een kille, bureaucratische neerslag van de wijze waarop het stadsbestuur de ontneming van rechten en middelen van bestaan van de Joodse bevolking formaliseerde.