Getypte brief (vermoedelijk een doorslag voor het archief).
Origineel
Getypte brief (vermoedelijk een doorslag voor het archief). 12 maart 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). Den Heer J. Heide, Waterlooplein 100 II, Amsterdam-Centrum. HG.
extra
den Heer J. Heide,
Waterlooplein 100 II,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 2.
20/11/2 M. 12 Maart 1941.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 12 Februari jl. bericht
ik U, dat bij een dezerzijds ingesteld onderzoek is gebleken, dat
U gedurende het jaar 1940 geen plaats voor den verkoop van eet-
of drinkwaren op de markten te Amsterdam heeft bezet.
De Directeur, Deze brief is een formeel antwoord van een Amsterdamse gemeentelijke instantie (waarschijnlijk de Dienst van het Marktwezen) aan de heer J. Heide. De kern van de boodschap is een feitelijke vaststelling: uit onderzoek van de administratie is gebleken dat de heer Heide in het kalenderjaar 1940 geen officiële marktplaats voor voedingsmiddelen heeft gehad in Amsterdam. De brief is strikt zakelijk en ambtelijk van toon. Het dient als een officieel bewijsstuk van een (gebrek aan) commerciële activiteit op de Amsterdamse markten in het voorgaande jaar. De context van deze brief is beladen vanwege de datum en de locatie. Op 12 maart 1941 was Nederland al bijna een jaar bezet door nazi-Duitsland. De brief is verzonden kort na de Februaristaking van 1941, een periode waarin de anti-Joodse maatregelen in Amsterdam drastisch werden aangescherpt.
De ontvanger, Jacques Heide (geboren in 1883), woonde op Waterlooplein 100, midden in de Amsterdamse Jodenbuurt. Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) is bekend dat Jacques Heide een marktkoopman was. In de loop van 1941 werden Joodse marktkooplieden steeds meer beperkt in hun bewegingsvrijheid; ze mochten uiteindelijk alleen nog op speciaal aangewezen "Joodse markten" staan.
Deze brief, waarin wordt vastgelegd dat hij in 1940 geen plaats bezette, kan onderdeel zijn geweest van een poging om een vergunning te verkrijgen, of juist een bewijs in een procedure waarbij Joodse ondernemers hun recht op een standplaats moesten aantonen of verdedigen tegenover de bezettende macht of de collaborerende gemeente. Jacques Heide en zijn vrouw Mietje Heide-Snoek zijn in 1943 in Sobibor vermoord. Dit document vormt een administratief spoor van de bureaucratische druk waaronder Joodse Amsterdammers destijds leefden. J. Heide Marktwezen
Samenvatting
Deze brief is een formeel antwoord van een Amsterdamse gemeentelijke instantie (waarschijnlijk de Dienst van het Marktwezen) aan de heer J. Heide. De kern van de boodschap is een feitelijke vaststelling: uit onderzoek van de administratie is gebleken dat de heer Heide in het kalenderjaar 1940 geen officiële marktplaats voor voedingsmiddelen heeft gehad in Amsterdam. De brief is strikt zakelijk en ambtelijk van toon. Het dient als een officieel bewijsstuk van een (gebrek aan) commerciële activiteit op de Amsterdamse markten in het voorgaande jaar.
Historische Context
De context van deze brief is beladen vanwege de datum en de locatie. Op 12 maart 1941 was Nederland al bijna een jaar bezet door nazi-Duitsland. De brief is verzonden kort na de Februaristaking van 1941, een periode waarin de anti-Joodse maatregelen in Amsterdam drastisch werden aangescherpt.
De ontvanger, Jacques Heide (geboren in 1883), woonde op Waterlooplein 100, midden in de Amsterdamse Jodenbuurt. Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) is bekend dat Jacques Heide een marktkoopman was. In de loop van 1941 werden Joodse marktkooplieden steeds meer beperkt in hun bewegingsvrijheid; ze mochten uiteindelijk alleen nog op speciaal aangewezen "Joodse markten" staan.
Deze brief, waarin wordt vastgelegd dat hij in 1940 geen plaats bezette, kan onderdeel zijn geweest van een poging om een vergunning te verkrijgen, of juist een bewijs in een procedure waarbij Joodse ondernemers hun recht op een standplaats moesten aantonen of verdedigen tegenover de bezettende macht of de collaborerende gemeente. Jacques Heide en zijn vrouw Mietje Heide-Snoek zijn in 1943 in Sobibor vermoord. Dit document vormt een administratief spoor van de bureaucratische druk waaronder Joodse Amsterdammers destijds leefden.