Officiële brief van de Gemeente Amsterdam.
Origineel
Officiële brief van de Gemeente Amsterdam. 25 september 1941. De Wethouder voor de Sociale Zaken (ondertekend door een waarnemend functionaris). De Heer M. Spaans, p/a Bloedstraat 16, Amsterdam. GEMEENTE AMSTERDAM
AFD. S.Z. AMSTERDAM, 25 September 1941.
No. 5 S II 70
BIJLAGEN MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD
NAUWKEURIG HET NUMMER VAN DIT SCHRIJVEN
EN DE AFDEELING TE VERMELDEN.
Ik deel U mede, dat de in Uw brief van 22 September j.l. behandelde aangelegenheid niet tot mijn bemoeiingen behoort, doch tot die van den Wethouder voor de Levensmiddelen, aan wien ik Uw brief heb doorgezonden.
De Wethouder voor de
Sociale Zaken,
[Handtekening]
Wnd.
Aan den Heer M. Spaans,
p/a Bloedstraat 16,
A l h i e r.
Model G. A. 5
25000-1-'40 Deze brief is een standaard bureaucreatiereactie van de gemeente Amsterdam. De inhoud is louter procedureel: de heer M. Spaans heeft op 22 september 1941 een brief gestuurd naar de Afdeling Sociale Zaken, maar de betreffende ambtenaar oordeelt dat het onderwerp niet onder zijn bevoegdheid valt. De zaak wordt daarom doorverwezen naar de Wethouder voor de Levensmiddelen.
Opvallend is de snelheid van de correspondentie: de brief van de heer Spaans is van 22 september, en de reactie volgt al drie dagen later op 25 september. De ondertekening geschiedt namens de wethouder door een waarnemer (aangeduid met "Wnd."), wiens handtekening moeilijk leesbaar is. Het adres van de ontvanger, Bloedstraat 16, bevindt zich in de oude binnenstad van Amsterdam, nabij de Nieuwmarkt. Het document is gedateerd op 25 september 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel het een alledaags lijkende ambtelijke brief is, vindt deze plaats in een periode van toenemende schaarste en controle.
De verwijzing naar de "Wethouder voor de Levensmiddelen" is veelzeggend voor de tijdgeest. Tijdens de oorlog was de voedselvoorziening en distributie (bonkaarten, rantsoenering) een van de meest kritieke en bureaucratisch zwaarbelaste taken van het gemeentebestuur. Dat de brief van de heer Spaans hiernaartoe wordt doorgeleid, suggereert dat zijn oorspronkelijke schrijven waarschijnlijk over een probleem met voedselhulp of distributie ging.
In 1941 was de Amsterdamse gemeenteraad al door de bezetter buitenspel gezet en waren wethouders vaak zetbazen of functionarissen die onder streng toezicht van de Rijkscommissaris stonden. De formele, bijna onveranderde toon van de ambtelijke correspondentie maskeert de grimmige realiteit van de bezetting waarin de stad op dat moment verkeerde. M. Spaans Gemeente Amsterdam
Samenvatting
Deze brief is een standaard bureaucreatiereactie van de gemeente Amsterdam. De inhoud is louter procedureel: de heer M. Spaans heeft op 22 september 1941 een brief gestuurd naar de Afdeling Sociale Zaken, maar de betreffende ambtenaar oordeelt dat het onderwerp niet onder zijn bevoegdheid valt. De zaak wordt daarom doorverwezen naar de Wethouder voor de Levensmiddelen.
Opvallend is de snelheid van de correspondentie: de brief van de heer Spaans is van 22 september, en de reactie volgt al drie dagen later op 25 september. De ondertekening geschiedt namens de wethouder door een waarnemer (aangeduid met "Wnd."), wiens handtekening moeilijk leesbaar is. Het adres van de ontvanger, Bloedstraat 16, bevindt zich in de oude binnenstad van Amsterdam, nabij de Nieuwmarkt.
Historische Context
Het document is gedateerd op 25 september 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel het een alledaags lijkende ambtelijke brief is, vindt deze plaats in een periode van toenemende schaarste en controle.
De verwijzing naar de "Wethouder voor de Levensmiddelen" is veelzeggend voor de tijdgeest. Tijdens de oorlog was de voedselvoorziening en distributie (bonkaarten, rantsoenering) een van de meest kritieke en bureaucratisch zwaarbelaste taken van het gemeentebestuur. Dat de brief van de heer Spaans hiernaartoe wordt doorgeleid, suggereert dat zijn oorspronkelijke schrijven waarschijnlijk over een probleem met voedselhulp of distributie ging.
In 1941 was de Amsterdamse gemeenteraad al door de bezetter buitenspel gezet en waren wethouders vaak zetbazen of functionarissen die onder streng toezicht van de Rijkscommissaris stonden. De formele, bijna onveranderde toon van de ambtelijke correspondentie maskeert de grimmige realiteit van de bezetting waarin de stad op dat moment verkeerde.