Doorslag van een getypte brief (officieel schrijven).
Origineel
Doorslag van een getypte brief (officieel schrijven). 13 november 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Marktdienst van de Gemeente Amsterdam). Den Heer S. Turfreyer, Lepelstraat 85, Amsterdam-Centrum. [Handgeschreven, linksboven:]
Versand 13/11
[Handgeschreven, rechtsboven:]
M. de Leer
[Getypte tekst:]
den Heer S. Turfreyer,
Lepelstraat 85,
Amsterdam-Centrum.
Wyk 10.
20/28/2 M 13 November 1941.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 5 dezer deel ik U
mede, dat met Uw verzoek inzake de marktplaats van R. van Kolm
op een der Joodsche hulpmarkten - voor zoover mogelyk - reke-
ning zal worden gehouden.
De Directeur, Deze korte zakelijke brief is een antwoord op een verzoek van de heer S. Turfreyer. Het verzoek betreft de toewijzing van een marktplaats voor een zekere R. van Kolm. De directeur van de betreffende instantie bevestigt dat er "voor zoover mogelyk" rekening zal worden gehouden met dit verzoek voor een plek op een van de zogenaamde "Joodsche hulpmarkten".
De toon is formeel en ambtelijk, kenmerkend voor gemeentelijke correspondentie uit die tijd. De tekst is getypt op een doorslagvel (carbon copy), wat gebruikelijk was voor het archief van de afzender. De vermelding "Wyk 10" verwijst naar de wijkindeling van Amsterdam in die periode; de Lepelstraat bevond zich in het hart van de Joodse buurt. Het document dateert uit november 1941, ruim anderhalf jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode nam de uitsluiting en isolatie van de Joodse bevolking door de bezetter snel toe.
In september 1941 werd het Joden verboden om nog langer op reguliere markten te staan of daar inkopen te doen. Als gevolg hiervan werden in Amsterdam specifieke "Joodse markten" (hier "hulpmarkten" genoemd) ingesteld, zoals op het Waterlooplein en in de Gaaspstraat. Joodse kooplieden waren verplicht naar deze markten te verhuizen.
Deze brief illustreert hoe deze segregatie bureaucratisch werd uitgevoerd. Zelfs voor de toewijzing van een staanplaats op een apart gestelde markt moesten burgers formele verzoeken indienen bij de autoriteiten. Het document geeft een inkijkje in de wijze waarop het dagelijks leven en de broodwinning van de Joodse Amsterdammers steeds verder werden ingeperkt en gereguleerd door de overheid onder toezicht van de bezetter. De namen S. Turfreyer en R. van Kolm zijn bekend in de archieven van de Jodenvervolging; velen van hen die in deze buurt woonden, zijn later gedeporteerd. M. de Leer R. van Kolm S. Turfreyer Gemeente Amsterdam
Samenvatting
Deze korte zakelijke brief is een antwoord op een verzoek van de heer S. Turfreyer. Het verzoek betreft de toewijzing van een marktplaats voor een zekere R. van Kolm. De directeur van de betreffende instantie bevestigt dat er "voor zoover mogelyk" rekening zal worden gehouden met dit verzoek voor een plek op een van de zogenaamde "Joodsche hulpmarkten".
De toon is formeel en ambtelijk, kenmerkend voor gemeentelijke correspondentie uit die tijd. De tekst is getypt op een doorslagvel (carbon copy), wat gebruikelijk was voor het archief van de afzender. De vermelding "Wyk 10" verwijst naar de wijkindeling van Amsterdam in die periode; de Lepelstraat bevond zich in het hart van de Joodse buurt.
Historische Context
Het document dateert uit november 1941, ruim anderhalf jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode nam de uitsluiting en isolatie van de Joodse bevolking door de bezetter snel toe.
In september 1941 werd het Joden verboden om nog langer op reguliere markten te staan of daar inkopen te doen. Als gevolg hiervan werden in Amsterdam specifieke "Joodse markten" (hier "hulpmarkten" genoemd) ingesteld, zoals op het Waterlooplein en in de Gaaspstraat. Joodse kooplieden waren verplicht naar deze markten te verhuizen.
Deze brief illustreert hoe deze segregatie bureaucratisch werd uitgevoerd. Zelfs voor de toewijzing van een staanplaats op een apart gestelde markt moesten burgers formele verzoeken indienen bij de autoriteiten. Het document geeft een inkijkje in de wijze waarop het dagelijks leven en de broodwinning van de Joodse Amsterdammers steeds verder werden ingeperkt en gereguleerd door de overheid onder toezicht van de bezetter. De namen S. Turfreyer en R. van Kolm zijn bekend in de archieven van de Jodenvervolging; velen van hen die in deze buurt woonden, zijn later gedeporteerd.